De watersector is in onderhandeling met de woningbouwers over nieuwe waterkaders. Wat betekent een verschil van 30 mm?
Op de Woontop van december 2024 spraken de woningbouwers (ministerie, gemeentes, projectontwikkelaars) en de watersector (ministerie, waterschappen, rijkswaterstaat) af om samen te werken aan kaders, procesafspraken en innovaties voor nieuwbouw. Een belangrijke afspraak zal gaan over hoe de nieuwbouw in te richten op toenemende piekbuien.
Ik durf het samen werken een onderhandeling te noemen. We willen “eenduidige normen en richtlijnen waarbij risico’s in balans zijn met te maken kosten”. Een mooi doel, maar aan deze balans hangen geen eenduidige getallen. Beide partijen schatten hun kant conservatief in, en daarom is het toch touwtrekken.
In april deed het regeldrukverminderingsadviesorgaan STOER (ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) een zet. STOER wil beperkte schade bij een 70 millimeter-bui in 24 uur (staat op papier), de waterschappen willen 100 millimeter (hoor ik in de wandelgangen): een verschil van 30 millimeter. Wat wordt hier precies bedoeld?
Voor de nieuwbouw in platte polders (beekdalen zitten anders in elkaar) aan de rand van de stad (ongeveer een kwart van de gewenste miljoen woningen), zit het ongeveer zo: de bouwlokatie is een bestaand poldersysteem, met polderwaterpeilen, maaiveldhoogtes en vloerpeilen. Sinds de Commissie Waterbeheer 21ste eeuw is het de bedoeling dat vloerpeilen enkele decimeters hoger liggen dan het waterpeil bij een pieksituatie die eens per 100 jaar voorkomt. Dan bemaalt het waterschap op volle toeren (afvoer) en lopen de peilen op (berging). Als het klimaat verandert gaan de peilen vaker sneller omhoog. Dan zijn er drie mogelijkheden: 1) we accepteren meer overlast, 2) het waterschap brengt de peilen weer omlaag met extra afvoer en extra berging in het polderwatersysteem, 3) de bebouwing moet omhoog (kan bij nieuwbouw, erg lastig voor bestaande bouw).
De waterwereld ziet een vierde mogelijkheid: losse extra berging in enkel de nieuwbouwgebieden – hier gaat de 70 of 100 millimeter over. De nieuwbouwwijken worden dan kleine nieuwe peilgebiedjes, waar het piekpeil hoger kan komen te staan dan in het omringende poldersysteem. Als alle nieuwbouw dit zou doen, verlicht dat het piekbuiprobleem voor het poldersysteem met maximaal 0,5% (ongeveer 10% van plat Nederland is woongebied, dat moet groeien met circa 5% uitbreiding in de omringende polders) – voor de overige 99,5% van het poldersysteem ligt de keuze tussen de drie opties nog helemaal open.
Waarom zo veel weerstand op een dossier zo gevoelig?
In plaats van een aanvullende 70- of 100 millimeternorm kan je ook van de nieuwbouw geen aparte peilgebiedjes maken, de nieuwbouw simpelweg 1 of 2 decimeter hoger aanleggen dan de bestaande bouw nabij de nieuwbouw, en doorwerken aan mogelijkheid 1, 2 of 3 voor zowel de bestaande bouw als de nieuwbouw.
Hier komt bij dat bergen en afvoeren in het rurale poldersysteem 10 tot 100 maal minder kost dan bergen in de stedelijke nieuwbouwwijk. Als dit alles klopt, schuift de watersector een marginaal deel van hun probleem, dat zonder de nieuwbouw bij hen zelf zou liggen, naar de nieuwbouw, terwijl het voor de nieuwbouw een stuk duurder is dan voor de watersector om dat probleem eigenstandig op te lossen.
Er moet voor de zomer een woontopwaterakkoord zijn. Hopelijk heb ik tegen die tijd ook antwoord op mijn eigen vraag: als mijn getallen kloppen, waarom creëert de watersector dan zo veel weerstand op een dossier zo gevoelig, als de woningnood?
Ties Rijcken is publicist, verbonden aan de Technische Universiteit Delft









