De technische conditie van sluizen, stuwen, gemalen en waterkeringen verslechtert volgens Rijkswaterstaat zichtbaar en meetbaar. Hoewel het de dienst lukt om steeds meer objecten te onderhouden en te vervangen, neemt het uitgesteld onderhoud verder toe (foto: Rijkswaterstaat).
De technische conditie van sluizen, stuwen, gemalen en waterkeringen verslechtert volgens Rijkswaterstaat zichtbaar en meetbaar. Hoewel het de dienst lukt om steeds meer objecten te onderhouden en te vervangen, neemt het uitgesteld onderhoud verder toe (foto: Rijkswaterstaat).

De Stand van de Uitvoering 2025 van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat schetst een indringend beeld van de uitdagingen waar Rijkswaterstaat voor staat. Eén boodschap springt eruit: de goede staat van het hoofdwatersysteem is niet langer vanzelfsprekend. Door veroudering van assets, toenemende klimaatdruk en structurele schaarste aan mensen, middelen en ruimte lopen risico’s voor waterveiligheid, waterkwaliteit en bereikbaarheid snel op.

Rijkswaterstaat werkt aan de grootste instandhoudingsopgave in zijn geschiedenis. Het overgrote deel van het hoofdwatersysteem, de vaarwegen en kunstwerken dateert uit de periode 1950-1980 of zelfs eerder. Hoewel het Rijkswaterstaat lukt om steeds meer objecten te onderhouden en te vervangen, neemt het uitgesteld onderhoud verder toe en verslechtert de technische conditie van sluizen, stuwen, gemalen en waterkeringen zichtbaar en meetbaar.

Die ontwikkeling heeft gevolgen: vaker storingen, ongeplande werkzaamheden en tijdelijke afsluitingen van vaarwegen. Dat raakt niet alleen de scheepvaart en watergebonden economie, maar ook de betrouwbaarheid van het watersysteem als geheel, inclusief wateraanvoer, -afvoer en waterkwaliteit.

Klimaatverandering vergroot druk op watersysteem

De Stand van de Uitvoering 2025 benadrukt dat veel waterstaatkundige objecten niet zijn ontworpen voor de huidige en toekomstige omstandigheden. Klimaatverandering leidt tot extremere neerslag, langere perioden van droogte en hogere piekbelastingen op het watersysteem. Tegelijk vraagt de samenleving meer van water: voor natuurherstel, drinkwatervoorziening, landbouw, energie en verstedelijking.

Waterveiligheid blijft daarbij van levensbelang voor Nederland, dat voor 26 procent onder zeeniveau ligt en voor 60 procent overstromingsgevoelig is. Rijkswaterstaat waarschuwt dat het tempo van onderhoud en vernieuwing omhoog moet om het hoofdwatersysteem ook in de toekomst robuust en betrouwbaar te houden.

Schaarste remt tempo

Een structurele belemmering is de schaarste in vrijwel alle randvoorwaarden: bouw- en grondstoffen, stikstofruimte, fysieke ruimte, financiële middelen en gekwalificeerd personeel – zowel bij Rijkswaterstaat als in de markt. Daar komt bij dat omwonenden en gebruikers steeds minder hinder accepteren, terwijl grootschalig onderhoud aan waterwerken onvermijdelijk impact heeft.

Volgens Rijkswaterstaat beperkt deze combinatie de regierol van de organisatie als assetmanager. Juist voor waterbeheer, waar betrouwbaarheid en voorspelbaarheid cruciaal zijn, vormt dit een groeiend risico.

Uittocht van zzp’ers

Wat betreft de noodzaak van voldoende gekwalificeerd personeel, helpt het niet dat het ministerie van IenW veel contracten met zzp’ers beëindigt om te handelen conform de Wet DBA – de wet van de schijnzelfstandigheid. “Dit kan niet geheel zonder impact op het werk, ook al is die impact nog niet precies te duiden”, stelde demissionair minister Robert Tieman onlangs in antwoord op Kamervragen. “De ruimte is geboden om extern ingehuurde zzp’ers met risico op schijnzelfstandigheid in dienst te nemen. Met het in vaste dienst nemen van zzp’ers die dat willen en door te zoeken naar interne oplossingen, wordt geprobeerd de impact te beperken.” In de laatste maanden van 2025 is voor ruim tweehonderd van de ruim zevenhonderd zzp’ers die voor Rijkswaterstaat werken het contract opgezegd op basis van mogelijke schijnzelfstandigheid.

Stapeling van beleid en regeldruk

Rijkswaterstaat signaleert daarnaast een toenemende complexiteit door stapeling van (de)centraal beleid. Nationale doelen voor waterkwaliteit, natuur, klimaat en ruimtelijke ordening botsen in de praktijk geregeld met provinciale en lokale ambities. Dit leidt tot langere doorlooptijden, hogere kosten en extra verantwoordingslasten voor projecten in het waterdomein.

De organisatie pleit daarom voor eenvoudiger wetgeving, duidelijke keuzes en stabiel beleid. Alleen met consistentie en voorspelbaarheid kan het vertrouwen van marktpartijen en andere overheden worden versterkt, stelt Rijkswaterstaat.

Samenwerking met markt en nieuwe werkwijze

Om de instandhoudingsopgave beheersbaar te maken, zet Rijkswaterstaat in op intensievere samenwerking met de markt. Een stabiele en langjarig voorspelbare investeringsstroom is daarbij essentieel, zodat ingenieursbureaus, aannemers en waterbouwers kunnen blijven investeren in vakmanschap en innovatie.

Daarnaast is in 2025 de reorganisatie ‘Samenhangend Toekomstperspectief’ (STP) gestart. Kernpunten zijn centraler assetmanagement, vereenvoudiging van processen, de oprichting van een Rijkswaterstaat-academie en het verschuiven van circa 750 fte richting de uitvoering. Doel: meer doen met dezelfde mensen en de uitvoeringskracht vergroten.

Uitvoering eerder aan tafel

Een belangrijke les uit de Stand is dat “de uitvoering eerder moet worden betrokken bij het beleid”. Rijkswaterstaat fungeert als schakel tussen politieke besluiten en wat burgers en bedrijven daadwerkelijk ervaren. In 2024 voerde Rijkswaterstaat 10 tot 15 uitvoeringstoetsen uit om beleidsplannen te toetsen op maakbaarheid en gevolgen voor de praktijk.

Voor de watersector onderstreept dit het belang van een gelijkwaardig samenspel tussen beleid, uitvoering en markt. Want, zo stelt Rijkswaterstaat, alleen samen kan worden voorkomen dat Nederland fysiek en economisch vastloopt.

Geen grote nieuwe projecten

Het feit dat er steeds meer middelen naar onderhoud en vernieuwing van bestaande, verouderde, infrastructuur moeten, betekent dat er nauwelijks geld is voor grote nieuwe aanlegprojecten. Dat stellen demissionair minister Robert Tieman en demissionair staatssecretaris Thierry Aartsen vast na de overleggen tussen Rijk en regio over het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Tieman: “Het is een zure appel dit jaar. Grote aanlegprojecten zijn nodig om Nederland op de lange termijn bereikbaar te houden, maar dat lukt nu niet vanwege beperkte financiële middelen, weinig stikstofruimte en krapte op de arbeidsmarkt. Ook noodzakelijke onderhoudsprojecten lopen hiertegen aan. Het is aan een volgend kabinet om keuzes te maken als het gaat om investeringen in infrastructuur. Intussen doen we wat we wel kunnen met het geld dat beschikbaar is.”