Voor de waterschappen hangt een deel van de kosten samen met de bedrijfsvoering, zoals het verduurzamen van het eigen vastgoed en het eigen wagenpark en het klimaatneutraal inkopen van grond-, weg- en waterwerken. In 2019 opende Waterschap Rivierenland een park van 7200 zonnepanelen naast de rioolwaterzuivering aan de Drielsedijk in Arnhem (foto: Rivierenland).

Gemeenten, provincies en waterschappen hebben de komende drie jaar 1,8 miljard euro nodig om de extra taken te kunnen uitvoeren die voortkomen uit het Klimaatakkoord. Dat stelt de Raad voor het Openbaar Bestuur in het advies ‘Van Parijs naar praktijk’. Ook adviseert de Raad om lokale, regionale en landelijke inspanningen onderling goed af te stemmen.

In het Klimaatakkoord, dat in juni 2019 is ondertekend, zijn veel afspraken gemaakt waardoor decentrale overheden (gemeenten, provincies en waterschappen) nieuwe taken krijgen of waardoor bepaalde taken geïntensiveerd worden. Zo zijn gemeenten verantwoordelijk voor het aardgasvrij maken van woningen en bepalen decentrale overheden op regionaal niveau waar de benodigde windmolens en zonneparken moeten komen. De decentrale overheden moeten daardoor extra kosten maken, maar de vraag was hoeveel. Op verzoek van het kabinet heeft de Raad nu een advies uitgebracht over de hoogte van die uitvoeringskosten en hoe deze uitvoeringskosten moeten worden bekostigd.

Kanttekeningen bij het onderzoeksrapport
Het advies is gebaseerd op een onderzoek naar de extra kosten, dat in opdracht van de Raad is uitgevoerd door onderzoeksbureau AEF. In september 2020 overhandigde het bureau het onderzoeksrapport aan de Raad, met daarbij de nodige kanttekeningen. Zo deed AEF onderzoek naar toekomstige taken en dat betekent dat noodzakelijkerwijs veel (onderbouwde) aannames zijn gedaan. Ook gaat het onderzoek uit van de stand van de wetgeving van begin 2020. Ondertussen zijn er alweer meer vervolgafspraken gemaakt binnen het kader van het Klimaatakkoord, die niet zijn meegenomen in het rapport. Verder is uitgegaan van de huidige stand van de techniek; als hier dingen in veranderen, veranderen ook de kosten. En ten slotte gaat het AEF-onderzoek uit van een taaktoedeling aan afzonderlijke overheidslagen en houdt het alleen bij uitzondering rekening met samenwerking tussen overheden (bijvoorbeeld wanneer dit al is vastgelegd in het Klimaatakkoord). Verdere samenwerking zou ook invloed kunnen hebben op de kosten.

Reflectieronde
De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) heeft na de ontvangst van het onderzoeksrapport eerst de departementen, provincies, gemeenten en waterschappen gevraagd op het rapport te reflecteren. Na die reflectieronde komt de Raad uit op een bedrag van in totaal 1,8 miljard euro voor de periode 2022-2024. Dit bedrag hebben decentrale overheden volgens de ROB nodig om op korte termijn voldoende mensen aan te nemen en in te huren. Bijvoorbeeld om een lokaal klimaatplan op te stellen en no regret-maatregelen uit te voeren.

Ondersteuning onmisbaar
Gemeenten, provincies en waterschappen zijn zelf verantwoordelijk voor hun klimaatplannen, maar de Raad stelt dat ondersteuning en coördinatie op regionaal en landelijk niveau onmisbaar is. Anders bestaat het risico dat decentrale overheden allemaal hun best doen, maar het zicht verdwijnt op het uiteindelijke doel: 49 procent CO2-reductie in 2030 (vergeleken met 1990).

Vijf hoofdpunten
De Raad voor het Openbaar Bestuur adviseert het kabinet:
• decentrale overheden voor de periode 2022-2024 te financieren voor de uitvoeringskosten van het Klimaatakkoord. In totaal is daar 1,8 miljard euro voor nodig.
• de financiering via een brede doeluitkering te verstrekken. Zo kunnen decentrale overheden zelf bepalen wat de meest zinnige inzet van het geld is, rekening houdend met hun lokale situatie.
• in 2024 de uitvoeringskosten en de verdeling ervan te evalueren en herijken op basis van onder andere realisatiecijfers.
• vanaf 2025 de uitvoeringslasten te verdelen op basis van inzicht in de werkelijke kosten.
• regio’s van samenwerkende overheden in te richten om de lokale uitvoeringskracht te ondersteunen en kennis en inkoopkracht te bundelen. En een landelijk programmateam om de inspanningen van alle overheden te coördineren.

Speciale aandacht voor veenweidegebieden
In haar advies zoomt de Raad nog apart in op de veenweidegebieden. De aanpak van de veenweideproblematiek is in het Klimaatakkoord benoemd als een gezamenlijke opgave en is vertaald in het recent gestarte interbestuurlijke programma Veenweide. De regionale veenweideprogramma’s worden onder regie van de provincies opgesteld en in overleg en samen met waterschappen en andere partijen uitgevoerd. De kosten die gepaard gaan met de aanpak van veenweidegebieden vragen daarom aparte aandacht, stelt de ROB. De kosten van de veenweideaanpak slaan vooralsnog alleen neer in specifieke aangewezen gebieden. Het gaat om regio’s in veenweideprovincies Friesland, Groningen, Noord- en Zuid-Holland, Overijssel en Utrecht, die elk vragen om hun eigen oplossingsrichting. Op basis van de inventarisatie van AEF gaat het voor wat betreft de uitvoeringskosten van gemeenten, provincies en waterschappen samen om een bedrag van circa 13,1 miljoen euro, jaarlijks gedurende de hele periode 2022-2030. De decentrale overheden hebben de ROB laten weten dat de kosten waarschijnlijk onderschat worden en mogelijk ook in meer provincies spelen. Gelet op de genoemde overwegingen pleit de Raad in navolging van het AEF-rapport daarom voor een aparte bekostiging van de uitvoeringskosten. De Raad stelt overigens wel voor de provincies als eerstverantwoordelijke voor de uitvoering van het veenweideprogramma aan te wijzen en de budgetten voor de uitvoering aan de provincies toe te delen.