Kraanwater
RIWA en RIVM willen veilig drinkwater garanderen door het hanteren van het voorzorgprincipe. (foto: Wikimedia Commons.)

De benchmark van drinkwaterbedrijven zal, als het aan minister Cora van Nieuwenhuizen van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ligt, in de toekomst worden uitgebreid met onder meer een vergelijking van de investeringen, de doelmatigheid en de effecten van verbeterplannen. Ook is er onderzoek nodig naar de totale investeringsopgave van de drinkwatersector en de financiering van die investeringen. Dat schrijft de minister op 21 november in een brief aan de Tweede kamer.

De minister reageert in haar brief op het rapport ‘Evaluatie doelmatigheid Drinkwaterwet van adviesbureau Andersson Elffers Felix. Het bureau voerde de evaluatie uit conform artikel 60 van de Drinkwaterwet. Daarin staat dat binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de Drinkwaterwet (2011) verslag wordt gedaan van de doelmatigheid van de openbare drinkwatervoorziening in de praktijk. Volgens de minister gaat er in de drinkwatersector veel goed, maar is er ook ruimte voor verbetering.

Meer onderbouwing gewenst
Zo wil de minister voortaan een overzicht van de prestaties van de tien drinkwaterbedrijven in een tijdreeks. Dat zou een beter beeld geven van de onderlinge ontwikkeling van de prestaties van de diverse bedrijven. Daarnaast wil Van Nieuwenhuizen ook meer context en onderbouwing bij de gegevens uit de prestatievergelijkingen. Daarmee komt zij tegemoet aan de motie Geurts Visser uit 2015 waarin zij vragen om meer inzicht in de totstandkoming van de drinkwatertarieven.

Onafhankelijke toets blijft
Andersson Elffers Felix adviseren de minister om de prestatievergelijking opnieuw een verantwoordelijkheid van de sector te maken. De minister schrijft in haar brief dat zij deze aanbeveling slechts deels over wil nemen. Volgens Van Nieuwenhuizen kan de benchmark door de drinkwatersector zelf worden uitgevoerd omdat het sneller en efficiënter is. Maar bij de overdracht van de gegevens aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) acht de minister een externe onafhankelijke toets naar de juistheid van de gegevens noodzakelijk.

Toezichthouder
Van Nieuwenhuizen is dus niet van plan om die wettelijk vastgelegde rolverdeling aan te passen, zoals de onderzoekers aanbevelen. “Het is belangrijk dat de ILT als onafhankelijke partij het protocol opstelt en eindverantwoordelijk blijft voor de prestatievergelijking. Het toezicht op de uitvoering van de prestatievergelijking is onlosmakelijk verbonden aan de taken van de ILT als integrale toezichthouder”, aldus de minister.

Investeringsopgave
De evaluatie zoomt verder in op de investeringsopgave in de drinkwatersector. Drinkwaterbedrijven investeerden de afgelopen jaren intensief in assetmanagement, waardoor zij nu beter zicht hebben op de kwaliteit van de infrastructuur en toekomstige investeringen. Volgens de drinkwaterbedrijven zelf is er geen onbeheersbare investeringsgolf op komst, maar voor het ministerie en de toezichthouders is er nog weinig zicht op de investeringsopgave per drinkwaterbedrijf. Als gevolg daarvan zijn de benodigde investeringen op sectorniveau bij hen onbekend, met name op (middel)lange termijn. Volgens de onderzoekers en de minister is nader onderzoek gewenst.

Financiering
Een ander onderwerp dat in de evaluatie uitvoerig tegen het licht is gehouden is het instrument om overwinst te voorkomen, de zogenoemde gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet (WACC). Als drinkwaterbedrijven teveel winst maken, zijn zij wettelijk verplicht de drinkwatertarieven te verlagen. Het is niet duidelijk wat de gevolgen van deze regeling zijn voor de financiering van de investeringen van de drinkwaterbedrijven op de langere termijn. Volgens het adviesbureau en de minister kan extra onderzoek naar de methodiek op basis waarvan de WACC wordt berekend, meer duidelijkheid geven.