De totale kosten voor het waterbeheer door overheden en drinkwaterbedrijven naderen in 2024 de 10 miljard euro. Dat blijkt uit de rapportage ‘De Staat van Ons Water 2024, die eind juli door minister Tieman naar de Tweede Kamer is gestuurd.
In dat jaar namen de waterschappen 44 procent van de totale kosten voor het waterbeheer in Nederland voor hun rekening. Dat blijkt uit de gezamenlijke rapportage van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, de Unie van Waterschappen, VEWIN, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Daarna volgen de gemeenten met 20 procent, de drinkwaterbedrijven met 19 procent, het Rijk met 16 procent en de provincies met 2 procent.
Rijk verhoogt uitgaven fors
Sinds 2020 zijn de kosten van het Rijk voor waterbeheer met 32 procent gestegen. Deze stijging is vooral toe te schrijven aan extra investeringen in waterveiligheid, de beschikbaarheid van zoet water en het onderhoud en de vervanging van waterinfrastructuur.
Ook de waterschappen zagen hun uitgaven stijgen, met 9 procent. De stijging bij de drinkwaterbedrijven bleef iets beperkter, met een toename van 7 procent, vooral door investeringen in drinkwaterzuivering en infrastructuur.
Gemeenten geven minder uit
Opvallend is dat de gemeenten juist minder zijn gaan uitgeven aan waterbeheer. Hun kosten daalden met 3 procent. Die daling komt doordat de jaarlijkse uitgaven relatief stabiel zijn gebleven, maar zijn gecorrigeerd voor inflatie. De provinciale bijdrage bleef met 2 procent beperkt.
Klimaatverandering drijft kosten op
Vooral de waterschappen worden geconfronteerd met de gevolgen van klimaatverandering. De stijging van hun kosten hangt grotendeels samen met investeringen die nodig zijn om de effecten van extreme neerslag, droogte en wateroverlast op te vangen. Daarnaast staat de waterkwaliteit onder druk, onder meer door intensief landgebruik en de toenemende aanwezigheid van schadelijke stoffen in het oppervlaktewater.
Lastendruk stijgt voor huishoudens en bedrijven
Alle Nederlandse huishoudens en bedrijven betalen mee aan het waterbeheer. Dat gebeurt via belastingen en via de drinkwaterrekening. Sinds 2020 is de lastendruk merkbaar toegenomen.
Zo is het bedrag dat huishoudens met een koopwoning betalen in vijf jaar tijd gemiddeld met ongeveer 5 procent per jaar gestegen. Voor huurders bedraagt de stijging zelfs ongeveer 6 procent per jaar.
Opvallend is dat de lasten voor agrarische bedrijven juist daalden, met gemiddeld 5 procent per jaar. Een productiebedrijf in de voedingsmiddelenindustrie is daarentegen gemiddeld 9 procent per jaar meer gaan betalen
Waaruit bestaan de lasten?
De totale kosten voor huishoudens en bedrijven bestaan uit meerdere componenten: de watersysteem- en wegenheffing en de zuiveringsheffing aan het waterschap, de rioolheffing van de gemeente, en de drinkwaterrekening van het drinkwaterbedrijf. Daarnaast worden er belastingen geheven door het Rijk, zoals de belasting op leidingwater en btw op de waterfactuur. Ook zijn er provinciale en rijksbelastingen ten behoeve van de watertaken van provincie en Rijk.
Hogere aanslag
De stijgende waterschapsheffing is tot en met 2025 gebaseerd op de WOZ-waarde van woningen. Omdat die WOZ-waarden de afgelopen jaren sterk zijn gestegen, krijgen huiseigenaren een fors hogere aanslag. Tussen 2015 en 2023 nam de gemiddelde WOZ-waarde van woningen met ongeveer 73 procent toe, terwijl de waarde van bedrijfspanden vrijwel gelijk bleef. In 2025 steeg de gemiddelde WOZ-waarde opnieuw met ongeveer 5,4 procent, en voor 2026 wordt een stijging van 9,5 tot 11,5 procent verwacht.
Nieuwe wet in 2026
Om deze scheve verdeling te corrigeren, is op 4 februari 2025 een wetsvoorstel aangenomen dat op 1 januari 2026 in werking treedt. De nieuwe regeling vervangt de waardegrondslag door een verdeelstelsel op basis van gebiedsspecifieke kenmerken. Denk daarbij aan factoren zoals verstedelijking, natuur, waterafvoer of landgebruik binnen een waterschapsgebied. Deze gebiedskenmerken worden dan bepalend voor de verdeling van de lasten.
Hoe die kenmerken concreet worden omgerekend naar heffingen, is nog niet uitgewerkt. De wet biedt wel richtlijnen, zoals de mogelijkheid om tariefverschillen te maken tussen woningen en niet-woningen, op basis van de waardeontwikkeling per 1 januari 2024. De daadwerkelijke invulling en uitvoering van het nieuwe systeem worden per waterschap vastgesteld, wat het geheel complex maakt en voorlopig onzeker houdt voor belastingbetalers.










