Danubius
Biogeomorfologie in het Schelde estuarium (foto: Jos Brils)

DANUBIUS-RI (River–Sea Systems Research Infrastructure) heeft dit jaar een belangrijke mijlpaal bereikt. De Europese Commissie heeft het de officiële, juridische ERIC-status toegekend. Daarmee is de weg vrij voor de opbouw van een nieuw pan-Europees instituut dat zich richt op het verdiepen van fundamentele wetenschappelijke kennis over rivier-zeesystemen. Nederland speelt hierin een belangrijke rol met de inbreng van unieke biogeomorfologie- en impactonderzoeksfaciliteiten.

De eerste algemene vergadering van DANUBIUS-ERIC vond half november plaats bij de Nationale Autoriteit voor Onderzoek in Boekarest, Roemenië. ERIC staat voor ‘European Research Infrastructure Consortium’, een legale entiteit speciaal uitgedokterd voor onderzoeksinfrastructuren. 

Jos Brils, expert bij Deltares, was namens Nederland gedelegeerde in deze vergadering. De ERIC is met zeven landen van start gegaan: Roemenië (leidend), Italië, Verenigd Koninkrijk, Oostenrijk, Tsjechië, Moldavië en Nederland. Naar verwachting sluit Spanje binnenkort ook aan. Het totale budget voor de eerste tien jaar is ongeveer 300 miljoen euro.

De landen brengen unieke, nieuwe faciliteiten, onderzoeksdata, instrumenten en meetlocaties (Supersites) in, die vervolgens gezamenlijk beschikbaar komen voor onderzoekers. Roemenië investeert onder meer 130 miljoen euro, afkomstig uit Europese structuurfondsen, in een nieuw state-of-the-art laboratorium in de Donaudelta met moderne analytische, chemische en biologische onderzoeksfaciliteiten. De bouw start naar verwachting in januari 2026 en neemt twee jaar in beslag.

Internationale onderzoekshub

Daarnaast voorziet het Roemeense budget in extra meetinstrumenten, worden onderzoeksschepen opgewaardeerd en wordt een datacentrum ingericht. Deze investeringen moeten ervoor zorgen dat de Donaudelta uitgroeit tot een toonaangevende internationale onderzoeks-hub binnen de pan-Europese infrastructuur.

Het centrale idee achter DANUBIUS is dat geen enkel Europees land, hoe welvarend ook, in zijn eentje voldoende capaciteit kan bundelen om op fundamenteel wetenschappelijk terrein te concurreren met grote spelers als de Verenigde Staten, laat staan China. “Daarom is het logisch dat we ieder afzonderlijk investeren in eigen, unieke onderzoeksfaciliteiten en deze vervolgens samenbrengen. Alleen zo kunnen we wereldwijd toonaangevend blijven, in dit geval op het gebied van onderzoek naar rivier-zeesystemen”, aldus Brils.

Vliegwiel op gang brengen

Nederlandse onderzoekers kunnen straks gebruikmaken van de faciliteiten in andere deelnemende Europese landen, terwijl internationale teams naar Nederland kunnen komen om hier met onze faciliteiten te werken. “Deze uitwisseling moet een vliegwiel op gang brengen dat het onderzoek naar rivier-zeesystemen versnelt en verdiept, precies waar DANUBIUS-RI voor bedoeld is”, aldus Brils.

Deltares neemt het Nederlandse deel van het datamanagement voor zijn rekening en bouwt de structuur die daarvoor nodig is. “Mijn collega’s richten de systemen zo in dat data uit uiteenlopende Nederlandse observaties en meetpunten via een centraal punt beschikbaar kunnen worden gemaakt. Ze zorgen er ook voor dat deze gegevens volledig ‘FAIR’ zijn – findable, accessible, interoperable en reusable – waarbij internationale standaarden worden gebruikt die dat mogelijk maken.”

Interdisciplinair onderzoek

Een belangrijk uitgangspunt van DANUBIUS-RI is het stimuleren van interdisciplinair onderzoek: het samenbrengen van uiteenlopende vakgebieden, van ecotoxicologie en geomorfologie tot zelfs de sociale wetenschappen rondom onderzoek naar het vergroten van impact. Nederland trekt aldus ook het impactknoopunt binnen DANUBIUS-RI. Volgens Brils is deze brede aanpak nodig om de grote maatschappelijke uitdagingen van deze tijd in rivier-zeesystemen het hoofd te bieden, zoals klimaatverandering, vervuiling, kusterosie en biodiversiteitsverlies.

Biogeomorfologie

De kracht van de onderzoeksinfrastructuur is dat landen zich kunnen specialiseren en investeren in een thema waarin zij internationaal het verschil willen maken. Nederland heeft daarbij gekozen voor biogeomorfologie binnen Delta-ENIGMA.

Dit onderzoeksveld bestudeert de wisselwerking tussen de abiotische omgeving en organismen die hierin leven, bijvoorbeeld hoe planten en andere organismen in delta’s op hun beurt weer waterstroming en wind beïnvloeden, sediment vasthouden en daarmee kust- en rivierlandschappen mede vormgeven.

Infrastructuur

De infrastructuur van Delta-ENIGMA richt zich op observaties in de Rijn, het Schelde estuarium en langs de Noordzeekust. Daarnaast bestaat de infrastructuur uit verschillende labfaciliteiten waarin biogeomorfologische processen in delta’s onder gecontroleerde omstandigheden bestudeerd kunnen worden, zoals stroomgoten ingericht voor rivierstroming, getijbeweging, en groei van organismen, en een windtunnel. Met een innovatieve, digitale leer- en kennisfaciliteit PROD (Productive Knowledge Interaction) ondersteunt Delta-ENIGMA de interactie tussen het deltaonderzoek, beheer en beleid.

Met deze investering, Nederland liep wereldwijd al voorop op dit terrein, krijgt ons land de faciliteiten om de ontwikkelingen continu en langdurig te observeren. “Daardoor kunnen we ook de komende jaren onze internationale koploperspositie behouden”, aldus Prof. Gerben Ruessink van Universiteit Utrecht, de penvoerder van het Delta-ENIGMA project.

Natuurgebaseerde oplossingen

“Onze observaties in Delta-ENIGMA zijn het fundament voor de wetenschappelijke onderbouwing van natuurgebaseerde oplossingen, zoals landaangroei door sedimentatie. Deze kennis is essentieel als we Nederland – en ook andere delta’s wereldwijd – willen laten meegroeien met een toekomstige zeespiegelstijging, zoals onlangs op het Deltacongres is gepresenteerd",  aldus Prof. Hans Middelkoop van Universiteit Utrecht, mede-penvoerder van Delta-ENIGMA.

Fundamentele vraag

Delta-ENIGMA richt zich op een fundamentele vraag: hoe vormen waterstroming, golven, wind, sediment en de organismen die hierin leven samen het deltalandschap, en wat is de rol van extreme omstandigheden daarbij?

Het tienjarige programma wordt uitgevoerd door het DANUBIUS-NL-consortium, waarin Universiteit Utrecht, TU Delft, Universiteit Twente, Wageningen University & Research, Royal NIOZ, Deltares en TNO-Geologische Dienst Nederland hun krachten bundelen.

Deze partners werkten al nauw samen binnen het Nederland Centrum voor Rivieronderzoek (NCR) en het Nederland Centrum voor Kustonderzoek (NCK). Delta-ENIGMA borgt de inhoudelijke en financiële basis voor de Nederlandse inbreng in DANUBIUS-RI.

Budget

Het Delta-ENIGMA budget bedraagt 21 miljoen euro, waarvan NWO zestien miljoen financiert. Partners zorgen voor de rest van het geld, deels in cash en deels in kind.