Baggerprojecten gerelateerd aan waterveiligheid en waterkwaliteit kunnen over het algemeen doorgang vinden, stelt minister Stientje van Veldhoven bij de beantwoording van 45 Kamervragen over de PFAS-problematiek (foto: D.J. Bergsma/CC).

Volgens minister Stientje van Veldhoven (Milieu en Wonen), vinden bouwprojecten en werkzaamheden rondom waterveiligheid en waterkwaliteit in het algemeen gewoon doorgang. Ze liggen niet stil vanwege het tijdelijke handelingskader PFAS, schrijft zij in een brief aan de Tweede Kamer. Wél is er nog een knelpunt bij projecten waar grond in een oppervlaktewater toegepast moet worden.

Op 1 december 2019 stuurde minister Van Veldhoven de Kamer het geactualiseerde tijdelijke handelingskader PFAS, waardoor er iets meer ruimte ontstond voor bouw- en baggerprojecten en grondverzet. De vaste Kamercommissie voor Infrastructuur en Waterstaat stuurde de minister op 12 december vervolgens een hele serie schriftelijke vragen. Op 3 februari beantwoordde Van Veldhoven alle 45 vragen in een brief aan de Kamer.

Aanbestedingskalender baggerwerk voor minstens 95% gevuld
Eén van de vragen was hoeveel bouwprojecten en werkzaamheden rondom waterveiligheid en waterkwaliteit er nu nog stilliggen. Volgens de minister is daar nauwelijks sprake van: ‘Mijn huidige beeld is dat de baggerprojecten gerelateerd aan waterveiligheid en waterkwaliteit over het algemeen doorgang vinden’, schrijft ze. ‘De Unie van Waterschappen heeft een uitvraag gedaan bij haar leden over de aanbestedingskalender van 2020. Een meerderheid van de waterschappen heeft gereageerd en daaruit blijkt dat de aanbestedingskalender voor baggerwerk met minimaal 95 procent is gevuld. Daarbij merkt de UvW wel op dat er sprake kan zijn van verhoogde kosten voor uitvoering en dat daardoor uiteindelijk minder werk wordt uitgevoerd. Ook is de uitvoering uiteraard nog wel afhankelijk van de uitkomsten van reguliere onderzoeken bij de projecten en indien nodig ook PFAS-onderzoek.’

Bescherming grond en drinkwater
De UvW geeft volgens de minister overigens wel aan dat er stagnatie optreedt bij projecten waar grond in een oppervlaktewater moet worden toegepast, bijvoorbeeld bij werk aan waterbouwkundige constructies. Het kabinet realiseert zich volgens haar dat hier nog sprake is van een knelpunt en er lopen nog onderzoeken naar de bescherming van grond en drinkwater. ‘Ook hier werkt het kabinet hard aan het oplossen van de knelpunten, samen met de betrokken partijen waaronder het RIVM, RWS en Deltares’, schrijft Van Veldhoven. Bij Rijkswaterstaat liggen er momenteel geen waterveiligheids- en waterkwaliteitsprojecten stil, zo verzekert de minister. Ze zal echter alert blijven op mogelijk nieuwe knelpunten: ‘Ik heb bij de verruiming van de norm geconstateerd dat hiermee nog niet alle problemen overal zijn weggenomen. Ik blijf nauwlettend in de gaten houden of nog af te ronden bodemonderzoeken bij projecten tot nieuwe knelpunten leiden’, schrijft ze.

Twijfels over grens van 0,1 μg/kg droge grond in oppervlaktewater
De Tweede Kamer vroeg zich in december ook af of het nog zinnig is om met het argument van zorgplicht de detectielimiet van 0,1 μg/kg droge grond in oppervlaktewater te hanteren, nu blijkt dat PFAS diffuus in heel Nederland voorkomt (0,8 μg/kg en 0,9 μg/kg). Van Veldhoven wijst in haar antwoord op die vraag op het belang van een goede kwaliteit van oppervlaktewater, drinkwater en grondwater. Bovendien heeft het RIVM volgens haar aangegeven dat het gedrag van PFAS in het bodem- en het watersysteem zeer complex is en op dit moment nog niet volledig doorgrond. Het RIVM doet op dit moment nog onderzoek naar onder meer de uitloogkarakteristieken en mobiliteit van PFAS. ‘Voor het toepassen van PFAS-houdende grond in oppervlaktewater geldt daarom de bepalingsgrens van 0,1 μg/kg’, schrijft de bewindsvrouw. Ze benadrukt dat de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (VEWIN) deze lijn ondersteunt, vanuit het belang om de kwaliteit van het oppervlaktewater als bron voor drinkwater te beschermen.

Waarom geen norm per stof?
‘Waarom kiest u, gezien het feit dat de ene PFAS-stof de andere niet is en we niet alle PFAS-stoffen over één kam moeten scheren, voor een algemene PFAS-norm in plaats van een norm per stof?’, luidde een van de andere vragen die de Kamer in december heeft gesteld. Dat heeft vooral te maken met de uitvoerbaarheid, blijkt uit het antwoord van de minister: ‘Gezien het aantal PFAS dat er is (meer dan 4700 stoffen), is het niet doenlijk om voor alle individuele PFAS een risicogrens af te leiden. Het RIVM heeft vorig jaar risicogrenzen afgeleid voor PFOS, PFOA en GenX in de bodem. In de gesprekken hierover heeft het RIVM geadviseerd om voor andere PFAS uit te gaan van de strengste van de nu beschikbare waarden. Met de kennis dat de verschillende PFAS in het lichaam van mens en dier opstapelen, is daarom gekozen om voor alle overige stoffen uit de PFAS groep één norm te stellen’, aldus de minister. Ze wijst erop dat momenteel onderzoek wordt gedaan naar de aanwezigheid van dertig PFAS. Deze lijst is samengesteld op basis van de kennis over welke PFAS er in Nederland worden gebruikt en dus in Nederland gevonden zouden kunnen worden. Van Veldhoven: ‘Het is niet zinvol om nu te meten op meer PFAS. Op basis van lopende onderzoeken is het op termijn mogelijk dat deze lijst van dertig PFAS wordt aangepast.’

Baggerdepots zonder grenzen?
Een andere vraag die de Kamer stelde was of het klopt dat er in de baggerdepots (van het Rijk en particulier) zowel geen minimale als maximale norm voor PFAS geldt. Dat is inderdaad het geval, zo blijkt uit het antwoord van de minister. Er zijn in de vergunningen van de Rijksbaggerdepots geen kwantitatieve boven- of ondergrenzen voor het PFAS-gehalte in de te storten bagger bepaald. Wel gelden er op grond van de Europese POP-Verordening (2019/1021) kwantitatieve bovengrenzen voor het storten van diverse persistente organische verontreinigende stoffen, waaronder sommige PFAS. Deze bovengrenzen liggen echter vele malen hoger dan de gehalten die in de praktijk in baggerspecie voorkomen.