“We willen versneld komen tot een nieuwe strategie voor rioolinspectie”

Tekst: Annemarie Geleijnse

U bent gepromoveerd op de interacties tussen riolering en afvalzuivering en uw hele loopbaan al actief op het gebied van riolering. Wat spreekt u zo aan in dit werkveld?
“Dit vakgebied raakt aan ongelooflijk veel andere disciplines: aan de zuivering, de ecologie in het oppervlaktewater, wateroverlast, bouwen, inrichting stedelijke omgeving. Dat, en het feit dat we nog steeds kunnen doorontwikkelen, maakt het zo leuk.” 

Sinds 2010 bent u directeur van het kennisprogramma Urban Drainage, verbonden aan de leerstoel Riolering aan de TU Delft. Kunt u kort de focus van dit programma schetsen? 
“We willen de echte, grote vragen van beheerders van rioleringen beantwoorden. De focus ligt op alles wat te maken heeft met rioolvervanging en asset management. Verder gaat er ook veel aandacht naar operationeel beheer: hoe beheer ik mijn riolen en zorg ik dat ze blijven werken zoals ze horen te werken? Om meer inzicht te krijgen in wat er in de grond ligt, wat de toestand daarvan is en wat het nog kan, proberen we de inspectietechnieken te verbeteren. En we kijken naar wanneer het belangrijk is om te inspecteren en wanneer niet.”

Zijn er al boeiende resultaten uit dit programma gekomen?
“De eerste resultaten zijn veelbelovend. We hebben bijvoorbeeld al heel interessante gegevens over hoe snel sediment zich in straatkolken opbouwt en wat dat allemaal betekent.”

U nam samen met Rioned het initiatief voor een aanvullend programma: TISCA (Technologie Innovatie voor Sterkte- en conditiemeting van afvalwaterleidingen). Waarom was er behoefte aan zo’n aanvullend programma?
“We verkennen op de TU sinds een paar jaar nieuwe inspectietechnieken, die aanvullend op visuele inspectie extra informatie kunnen bieden. Het duurt echter heel lang voordat je daar in de volle breedte de vruchten van plukt. Met meer onderzoeksgeld en het samenbrengen van verschillende projecten willen we de ontwikkeling van de inspectietechnieken en het komen tot een nieuwe inspectiestrategie versnellen. Door in vijf jaar tijd een hoop onderzoeken parallel te laten lopen, ben je geen dertig jaar verder voordat je een compleet beeld hebt.”

TICSA is vooral gericht op inspectietechnieken?
“Ja. Het draait helemaal om het krijgen van goed inzicht in de staat van zowel de buis als de bodem eromheen. Die twee samen – de bodem-buisinteractie – zorgen voor stabiliteit.”

Wat is er mis met huidige manier van meten: video-inspectie?
“Daar is niet veel mee mis. Maar het is niet genoeg. Zo kun je van binnen uit niet zien of er sprake is van exfiltratie van riolen; lekkage van riolen naar de ondergrond. Je ziet ook niet of er een gat naast de rioolbuis is ontstaan wanneer bij infiltratie zand is mee gespoeld. Terwijl dat wel heel belangrijk is omdat daarmee de stabiliteit een stuk minder wordt. Dus zoeken we naar technieken om de dingen die je niet kunt zien, wel te ondervangen. Visuele inspectie blijft bovendien altijd de interpretatie van een persoon. Het is goed om daar een andere techniek naast te zetten die feitelijk vaststelt wat er aan de hand is. Daarmee maak je de beoordeling sterker.”

In de Nederlandse bodem ligt voor zo’n 100 miljard euro aan riolering, het renoveren of vervangen kost jaarlijks zo’n 1,5 miljard euro. Het probleem van verouderde rioleringen speelt op grote schaal en al heel lang. Technologiestichting STW investeert nu samen met RIONED, STOWA en het Kennisprogramma Urban Drainage drie miljoen euro voor TISCA. Waarom heeft het zo lang geduurd voordat het onderzoek hiernaar een zwiep krijgt?
“Het is een onderwerp waar al twintig jaar, ook internationaal veel aandacht aan wordt besteed. We inspecteren nu allemaal netjes elke tien jaar de riolering. Tegelijkertijd heb je, ook vanuit het Bestuursakkoord Water de druk om minder geld te besteden. Besparen op rioolonderhoud kan pas als je echt weet hoe het riool eraan toe is. Als je met hulp van nieuwe inspectietechnieken de levensduur van het riool kunt verlengen, dan verdien je de investering in onderzoek snel terug. Dat is de belangrijkste drijfveer om hier nu heel veel extra tijd en geld aan te besteden.” 

Onderzoekers konden tot 2 juni voorstellen voor slimmer rioolbeheer indienen. Liggen er veel goede onderzoeksvoorstellen?
“Dat weet ik niet. De voorstellen liggen nu bij STW. Die toetst of ze aan de voorwaarden voldoen en stuurt ze dan naar internationale reviewers. In december wordt besloten welke onderzoeken van start kunnen gaan. Die procedure is volstrekt vertrouwelijk.” 

In 2016 gaan de diverse onderzoeken van start. Wat is de belangrijkste vraag die u graag beantwoord wilt zien de komende jaren?
“Binnen TISCA zijn meerdere onderzoeksvragen van belang. Die draaien om het doorontwikkeling van inspectietechnieken om op juiste manier de faalmechanismen in de buis te kunnen ontdekken. Je kunt daarbij denken aan nieuwe meetinstrumenten als high-end optica, laserscanners en akoestische meetapparatuur om faalmechanismen in de buis te kunnen ontdekken. Ook voor robottechnologie staat het programma open. Een ander onderzoeksspoor is het verbeteren van computermodellen die de rest levensduur van riolen inzichtelijk maken. Dergelijke modellen moeten in kaart brengen hoe de technische staat van riolen afhangt van omgevingsfactoren, zoals ruimtelijke ontwikkelingen en bodemsamenstelling. We willen daarbij kijken naar lekkage (infiltratie en exfiltratie) en naar de bodem-buis interactie. Daarnaast moet het onderzoeksprogramma duidelijk maken in hoeverre rioolbeheerders aansprakelijk zijn voor het falen van de riolering zodra zij meer technische kennis daarover in huis hebben.
Binnen TISCA kijken we overigens niet alleen naar gewone buizen maar ook naar persleidingen. Het inspecteren daarvan staat nog in de kinderschoenen.”

Welke nieuwe inspectietechnieken zijn volgens u veelbelovend? 
“Eigenlijk alle nieuwe technieken bij elkaar, ze kennen elk een eigen toepassing. Met laser kun je bijvoorbeeld heel makkelijk de vorm en interne diameter van de buis meten. Terwijl je met de rioolradar of grondradar, de wanddikte en gaten rondom de buizen kunt bepalen. Het is niet zo dat er één techniek als dé techniek geldt. Als dat zo was, hadden we dit programma niet nodig. We willen juist zoeken naar meerdere technieken omdat verschillende faalmechanismen om verschillende technieken vragen.”

Biedt de bijdrage van dit wetenschappelijk onderzoek aan verbetering van de meettechnieken straks exportkansen?
“Internationaal is de vraagstelling het zelfde. Er wordt onderkend dat de visuele inspectie niet alles in kaart brengt. In het zetten van nieuwe stappen, neemt Nederland een voorsprong op de ons omringende landen. Onze onderzoeksgroep is sowieso al behoorlijk groot en het onderzoek gaat met TISCA enorm versnellen. Dat kan inderdaad exportkansen gaan bieden.”