“We moeten bestaande kennis veel beter benutten”

Wat bedoelt u met een deltawetenschappelijke benadering?
“Ik probeer een brug te slaan tussen de gamma- en de bètakant van waterbeheer. Dat deed ik al toen ik in 2003 promoveerde op de verduurzaming van watersystemen in stedelijke vernieuwing van Nederland en daarbij de harde en de zachte kant van watersystemen met elkaar verbond. En dat wil ik ook nu in mijn lectoraat gaan doen. Voor Van Hall Larenstein als hofleverancier van wateringenieurs voor de waterschappen is dat belangrijker dan ooit. Door de exodus van babyboomers in de watersector moet er een nieuwe generatie klaarstaan van generalistische specialisten; mannen en vrouwen met in hun rugzak een manier van werken die beta en gamma tegelijkertijd is.”

U keert na een directeursfunctie bij de Hanzehogeschool terug naar uw waterspecialisme. Zin in?
“Heel erg veel. Hier kan ik persoonlijk iets toevoegen aan de kenniseconomie en extern veel verbindingen maken.”

Waar ligt die toegevoegde waarde precies?
“In het inspringen op de innovation gap tussen aan de ene kant de gouden driehoek van overheden, bedrijven en kennisinstellingen en aan de andere kant de maatschappij. Dit levert productinnovaties en business op. Watersysteeminnovaties zijn  vooral ook een publieke zaak. We gaan niet voor niets 18 maart stemmen, we betalen niet voor niets waterschapsbelasting. Met dit lectoraat wil ik een verbinding leggen tussen de drie O’s – Overheden, Ondernemers en Onderzoekers – en wat ik de vierde O noem: Onze samenleving. Een belangrijk speerpunt van mijn lectorschap is de omgang van de mens met water. Ik heb een aantal onderzoeksthema’s rondom water geformuleerd, het zou geweldig zijn als daar vanuit de samenleving onderzoeksvragen uit voortkomen.”

De onderzoeksthema’s betreffen de relatie van water tot stad, klimaat, gezond leven, cultuur en een toolkit met gidsprincipes. Hoe gaat u de sociale innovatie rondom die thema’s aanzwengelen?
“Dat is deels een kwestie van het uitzetten van je voelsprieten en veel netwerken. Het leuke is dat er nu al van alles op me af komt. Vanuit het programma Ecologie ben ik sinds kort trekker voor het thema Water van Culturele Hoofdstad 2018 Leeuwarden. Ik vind het hartstikke gaaf om dan de hele Nederlandse duurzame waterwereld in al zijn facetten in de etalage te zetten.”

In uw inaugurale rede sprak u over de watertransitie die is gericht op het meer vasthouden en schoonhouden van water in plaats van het  snel en veel water afvoeren en schoonmaken. Dat is een omkering in het denken over waterbeheer die al langer in gang is gezet. Waarom is dit zo belangrijk?
“We willen de veerkracht van de watersystemen zelf benutten. De economische crisis, klimaatverandering en de groei van de wereldbevolking maken dat steeds belangrijker. Daarbij zijn wij als belastingbetalers kritischer. We willen geen toeschouwer meer zijn, maar als actieve burgers meedoen. In die transitie kunnen we nieuwe technologieën toepassen. We kunnen bijvoorbeeld in naoorlogse buurten de synergie tussen water en energie zoeken. Zwart water uit flatgebouwen inzamelen en de nutriënten en energie daaruit teruggeven aan de flat. Of grijs water met nieuwe technieken op wijkniveau zuiveren.”

U wilt komen tot een aantal gidsprincipes; principes gebaseerd op het denken in ecosystemen die leiden tot duurzame oplossingsrichtingen. U noemt onder meer sociale innovatie, het voorkomen van waterverspilling en verontreiniging, het benutten van de veerkracht van watersystemen, het zuiveren en hergebruik van (afval)water en de productie van secundaire grondstoffen. Waar legt u de komende vier jaar in het  lectoraat de accenten?
“Ik leg een aantal accenten. Een daarvan is dat ik vooral wil laten zien dat we moeten leren van het verleden. In de jaren negentig zijn allerlei wijken gebouwd op basis van de principes van duurzame watersystemen. Ik ben benieuwd wat we daar nu na 25 jaar van kunnen leren. Hoe is de kwaliteit van het water nu? Zijn de systemen climateproof? Hoe ervaren gebruikers en beheerders het? Kun je een link leggen tussen kwaliteit en kwantiteit en de manier waarop het gebruikt en beheerd wordt? En vooral: wat kunnen wij ervan leren voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van nu?”

En? Wat is uw verwachting?
” Ik ben een paar keer in Morrapark in Drachten gaan kijken, de eerste wijk in Nederland die volgens het circulatiemodel is ingericht. Het was destijds de schoonste plek van Friesland. Maar nu staan de straten er blank, ziet het water er helemaal niet zo superschoon uit en is er heel veel organisch afval in het water door de bossages. Ik ben razend benieuwd hoe het er daar echt voorstaat.”

Met uw studenten die wijk in dus?
“Ja zeker, en met docenten van de opleidingen Milieukunde en Land- en Watermanagement! We gaan ondermeer kijken naar de kwaliteit van de waterbodem, ook met innovatieve meetmethoden. Ik wil graag een paar sensoren plaatsen in Morrapark om te kijken hoe dat daar nu gaat. En met studenten met onderwaterdrones aan de slag. Dat ga ik samen met lector Floris Boogaard van het KennisCentrum Noorderruimte  oppakken. We moeten bestaande kennis veel beter benutten.”

Leren van het verleden dus?
“Ja, maar een ander accent in mijn lectoraat is ook het leren van de toekomst. Tijdens de inauguratie hebben wij een mini-onderzoekje gedaan en het blijkt dat de meeste aanwezigen het klimaatvraagstuk prioriteren. Een van de zaken waar ik me op richt, zijn de kanalen in Nederland die er, nu ze hun nautische functie goeddeels hebben verloren, vaak wat desolaat bij liggen. Ik vroeg me af of je die kanalen niet kunt inzetten voor klimaatadaptie. Samen met het bedrijf ROM3D hebben wij een gidsmodel Piekbelasting ontwikkeld. Dat is gebaseerd op de gedachte dat je – bijvoorbeeld in extreem droge zomers waarin extreme regendagen voorkomen – regen opvangt in de kanalen en het water via ‘uiterwaarden’ de ruimte geeft. Met natte teelt, kun je het water vasthouden en schoonmaken. Dat water kun je in een drinkwatergebied inlaten, in een recreatiegebeid, een natuurgebied, aan de landbouw geven of naar dorpen laten stromen om te koelen. Zo geef je een nieuwe functie aan de kanalen. Het heeft een dynamische animatie van het gidsmodel opgeleverd die het onzichtbare zichtbaar maakt en weer kan worden gebruikt in participatieprocessen in de praktijk en in het onderwijs.”

Wat is de stip op de horizon van het lectoraat?
“Vanuit het perspectief van applied research moeten er de komende jaren handelingsperspectieven worden ontwikkeld, verbeterd of bij elkaar worden gebracht die de transitie naar duurzame watersystemen  verder helpen. Dat noem ik de gereedschapkist. Ik zou het fijn vinden als ik over vier jaar een gereedschapskist heb met gidsprincipes waarmee docenten en studenten kunnen blijven sleutelen aan duurzame watersystemen in de praktijk. Dat is niet klaar na vier jaar.”