“We moeten afscheid nemen van het beeld van de waterexpert als held”

Tekst Annemarie Geleijnse  |  foto Dirk Gilissen

U bent benoemd tot bijzonder hoogleraar Water Governance aan de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam (UvA). De leerstoel is ingesteld door de Stichting het UNESCO-IHE Institute for Water Education. In uw inaugurale rede vertelde u praktijk, technologieën en instituties te willen bestuderen vanuit een interdisciplinaire benadering. Waarom?
“Zelf ben ik ooit afgestudeerd in Wageningen als irrigatie-ingenieur. Daarbij ben ik me heel erg bewust geworden van hoeveel sociale kwesties en verdelingsvraagstukken – vaak impliciet – worden opgelost middels de technologie. De echte discussie over de verdeling van water verdwijnt daarmee uit beeld. En dat geldt niet alleen voor de technologische benadering. Sociale wetenschappers richten zich op wetten en instituties, economen op markten en prijzen; ieder zijn eigen niche. Terwijl in waterproblemen het sociale en materiële (technologisch en ecologisch) juist heel erg met elkaar verweven zijn. Dus is het jammer dat dat uit elkaar getrokken wordt.” 

Jammer, maar wellicht onvermijdelijk?
“Nee, het heeft vooral te maken met hoe de wetenschap is georganiseerd. De wetenschappelijke waarheid is helemaal gebaseerd op het maken van onderscheid tussen het sociale en het natuurlijke. De gedachte is dat je natuur objectief kunt meten. Water, grondwaterstromen of rivierstromen kun je meten. Water praat ook niet terug. Het is informatie waar je objectieve toegang toe hebt; harde cijfers. Maar als je wilt weten hoe water stroomt, heb je niet genoeg aan dit soort kennis over water. Je moet ook weten hoe mensen omgaan met water en hoe ze dat in het verleden deden.” 

U pleit voor het bestuderen van de alledaagse praktijk in plaats van het zoeken naar generieke en normatieve ordeningen. Als je wilt weten hoe waterverdeling tot stand komt, moet je niet in de papieren duiken maar in de praktijk, zegt u vrij vertaald. Waarin verschillen de uitkomsten?
“Mijn aanname is dat we nog best weinig begrijpen van hoe waterverdelingen tot stand komen. Het meeste onderzoek veronderstélt dat een bepaalde institutie, bepaald beleid of een  bepaalde infrastructuur een bepaalde verdeling zal bewerkstelligen. Hoe die verdelingen echt tot stand komen, wordt weinig onderzocht. Vanuit mijn eigen ervaring met irrigatiestelsels in ontwikkelingslanden weet ik dat er geen stelsel bestaat waar de daadwerkelijke waterverdeling overeenstemt met de verdeling zoals die is ontworpen door de ingenieur.”

Wat achter de tekentafel een oplossing lijkt, pakt in de praktijk anders uit?
“Ja, en daar kan je veel van leren. Als we meer kijken naar de praktijk zal dat leiden tot een beetje meer bescheidenheid in wat stuurbaar is en wat kenbaar is. Water is letterlijk moeilijk te sturen.”

In die bescheiden benadering past volgens u ook de aanvaarding dat kennis plaatsgebonden en politiek zijn. Maakt het dat voor wetenschappers niet onmogelijk om kennis breder te trekken?
“Dat iets lokaal en politiek is, betekent niet dat kennis niet kan reizen. Je hebt modellen en technologieën die je op veel plekken kunt gebruiken. Er zijn wel generieke vormen van kennis. Maar in plaats van te veronderstellen dat een pomp die het goed doet in India ook zal werken in Burkina Faso, zul je dat moeten onderzoeken. Vragen stellen, kijken wat daarvoor nodig is.”

Nederlandse waterexperts reizen over de hele wereld. Zijn zij zich dat voldoende bewust?
“Zeker wel, het is in feite de dagelijkse praktijk van die reizende experts. Ze zijn oneerbiedig gezegd altijd een beetje aan het klungelen, aanpassen en improviseren. Maar dat is natuurlijk niet hoe ze over hun eigen expertise en kennis praten. Ik wil een pleidooi houden om er meer voor uit te komen dat dit de praktijk is. Dat is uiteindelijk vruchtbaarder. Het kan ons een meer adaptieve vorm van waterbeheer brengen.”

In uw inaugurale rede kaart u ook de koloniale benadering van waterkennis aan. Experts in het noorden vertellen het zuiden hoe het moet.
Wat is uw belangrijkste bezwaar daartegen? Nederland heeft toch ook veel kennis over water?
“Mijn bezwaar geldt de contradictie die er in de benadering van waterkennis zit. Nederland zet zichzelf op de kaart als waterexpert. Nederlandse waterkennis is juist omdat het uit Nederland komt generiek. We gaan met die kennis de wereld over. De lokalisering wordt daarmee een globalisering. Het stempel Nederlands maakt het wereldwijd inzetbaar. Maar heb je het over Ghanese waterkennis dan heet dat opeens lokaal specifiek te zijn. Die interessante contradictie wil ik verder gaan uitzoeken.” 

Welke vraag stelt u zich daarbij?
“Ik wil kijken naar hoe kennis reist. Waardoor wordt kennis, een model of technologie universeel? Wat maakt kennis verplaatsbaar? En wat is de invloed van ontwikkelingsgeld daarbij? Zo bleek uit een onderzoek naar kleinschalige druppelirrigatiesystemen voor kleine boeren in de Sahel dat ik onlangs heb afgerond, dat die boeren helemaal niet zaten te wachten op deze techniek. Terwijl de techniek belooft water besparen, armoede bestrijden, en gendergelijkheid te vergroten. Een goede techniek, goede mensen die hem in willen zetten: maar de boeren in Burkina Faso hebben er geen interesse in. 
Het geld voor het aankopen en verspreiden van de systemen komt van ontwikkelingssamenwerking. Er gebeurt dus iets geks: bedrijven die het ontwikkelen, hebben er baat bij dat het wordt gezien als succes. De NGO’s die ermee aan de slag gaan, hebben daar ook baat bij. Net als de donoren. Het is kortom een zichzelf versterkend succesverhaal terwijl de boeren waarvoor het bedoeld is er helemaal niet op zitten te wachten. De reflex is dan om met elkaar beter te gaan uitleggen wat de voordelen zijn. Terwijl je ook zou kunnen zeggen: he jongens, die boeren willen dit helemaal niet! Zullen we eens luisteren naar waarin ze wel geïnteresseerd zijn?”

Een radicaal andere benadering dus.
“Eigenlijk wel ja. De reden dat dit niet gebeurt, ligt in de structuur. Die is gericht op het instandhouden van die technologie als succes. Ik bedoel dat niet als aanklacht, het is zoals het werkt.”

U stelt dat we in een meer bescheiden benadering van waterbeheer afscheid moeten nemen van de wateringenieur als held. Dat zal niet meevallen.  .  .
“Het is inderdaad moeilijk dat idee van de waterexpert als held te doorbreken, deels omdat het zo gekoppeld is aan ideeën over mannelijkheid. Het idee van een goede waterexpert is heel erg verweven met het idee van wat een echte man is. Dat maakt het extra taai en moeilijk om te doorbreken.”

Is het geen haalbaarder optie om het beeld te vervangen door dat van een bescheiden held?
“Ik geloof eigenlijk niet in een nieuw soort held. Omdat er altijd het gevaar is van concentratie van macht en autoriteit en het daarmee verstoppen van allerlei politieke verdelingskwesties. Daar ben ik niet voor.  Je kunt pas de discussie over een eerlijke waterverdeling voeren als je de verdelingskwestie zichtbaar maakt. Het meer zichtbaar maken van verdelingsvraagstukken, dat is wat ik met mijn leerstoel de komende jaren van plan ben.”