Veel mogelijkheden in de uitvoering voor governance ‘klimaatadaptatie’

Sturen op een klimaatneutrale landschapsinrichting behoort nog niet tot de standaarduitrusting van Nederlandse bestuurders en beleidsmakers. Aan de vooravond van de uitvoering van het Deltaprogramma met haar klimaatadaptieve strategieën zijn er nog talrijke vragen over de juiste weg naar implementatie. Klassieke sturing versus bottum up arrangementen. Rijk of Regio? Meekoppelen, mainstreamen of zelforganisatie? Netwerkbenadering, leiderschap van de provincie of liever kleinschalige samenwerking, zoals tussen agrariërs en de waterbeheerder? Zijn er mogelijkheden voor differentiatie in veiligheidsniveaus ? De mogelijkheden zijn – nog steeds – eindeloos en een aanpak voor  de implementatie ligt nog allerminst vast. 
Meerlaagsveiligheid
Neem de integratie van meerlaagsveiligheid in de ruimtelijke ordeningscyclus. Koos Beurskens (Deltaprogramma rivieren), Arwin van Buuren (Erasmus universiteit) en Mathijs van Vliet (Wageningen Universiteit) buigen zich aan een rondetafel over de vraag of ‘risiconeutrale landinrichting’ gedwongen dan wel door samenwerking moet geschieden.  Het antwoord, weten zij, ligt in een mix van de formele weg en de ‘samenwerkingsroute’. Beurskens, die werkt aan een ‘stimuleringskader voor meerlaagsveiligheid’, wil de opmerkingen van de deelnemers meenemen: “We zijn op zoek naar slimme combinaties.” 
Voordelen benadrukken
Vroegtijdig het waterschap om tafel brengen in het ruimtelijk ordeningsproces is noodzakelijk, erkennen deelnemers aan deze rondetafel. Benadruk de voordelen van samenwerking. Wees transparant over de kosten, kostenverdeling en verantwoordelijkheden van de partijen. Zou het verplicht moeten zijn om een dergelijk proces te doorlopen? En zie eerst de partijen maar eens om tafel te krijgen, want de belangen kunnen uiteenlopen. Verder is het belangrijk om burgers ‘op te voeden’  risico’s te accepteren, menen de deelnemers. 
Bewustwording
Het Deltaprogramma maakte regio’s bewuster van de mogelijkheden om anders om te gaan met water- en klimaatvraagstukken. Daarbij kunnen regio’s kritisch kijken naar hun gevoerde beleid. Neem de royale aanleg van aquaducten in Friesland. “Geweldig voor de recreatie, maar bij een evacuatie niet bepaald handig”, vindt een deelnemer. Problemen rond wateroverlast zijn goed regionaal te regelen, maar waterveiligheid blijft toch een zaak van landelijke regelgeving. Maak een goed plan, zoals bijvoorbeeld de provincies Utrecht en Overijssel, die een totaalkader en regelgeving uitwerkten. 
Ook leiderschap, zo valt herhaaldelijk te beluisteren, is essentieel. Niet zo zeer de actor, dan wel de ambitie van een individueel persoon is doorslaggevend voor het slagen in een klimaatneutrale landschapsinrichting.
Klimaatbeleid buren
Onder het motto ‘grensoverschrijdend samenwerken’ wordt in debatvorm gekeken hoe bij de buren klimaatbeleid vorm krijgt. Daarover blijken meningen nogal eens uiteen te lopen. Wordt water in België en Duitsland integraler aangepakt dan in Nederland? Of juist niet? Bij grensoverschrijdende samenwerking is het belangrijk te weten hoe de buren hun klimaat dan wel waterzaken hebben belegd. In Duitsland zijn verantwoordelijkheden bij zowel federale ministeries als op deelstaatniveau belegd, maar vormt de organisatie van de waterverantwoordelijkheid in de naaste deelstaat Nordrhein-Westfalen grote overeenkomsten met die in Nederland.  Dankzij de Europese Kaderrichtlijn Water is er internationaal al veel bereikt, stelt de Duitser Thomas Hartmann (Universiteit Utrecht), zowel in droogte als grondwaterkwesties. En ook in overstromingsbeleid, mede dankzij de richtlijn overstromingsrisico’s.  In Duitsland is meer commitment voor klimaatgerelateerde maatregelen, maar op uitvoeringsniveau is het nog lastig bij de oosterburen: “Duitse boeren willen gewoon geen land beschikbaar stellen.”
Grensregio’s
Samenwerking in internationale waterprojecten krijgt steeds meer vorm, bijvoorbeeld in het INTERREG programma, maar resultaten zijn moeilijk te noteren. Een Twentenaar is negatief:  “Ik heb het idee dat er heel weinig gebeurt. Het duurt al jaren, en gaat nog jaren duren.” Anderen zijn positiever, daarbij wordt geconstateerd dat samenwerking in grensregio’s – zoals  Nederland-Vlaanderen  – beter verloopt dan op het niveau van het hoofdwatersysteem. 
Late afstemming  
Europa toont grote ambitie als het gaat om waterbeleid, stelt Max Linsen, adviseur internationaal beleid bij Rijkswaterstaat. Na de overstromingen in 1993 en 1995 is het actieplan hoogwater opgesteld, later kwam daar de Richtlijn Overstromingsrisico’s bij. In de bovenstroomse gebieden van rivieren als de Rijn zijn grootschalige maatregelen genomen, die zijn afgestemd in de internationale Rijncommissie. Hoe deze en toekomstige maatregelen in het Rijngebied precies doorwerken op het Nederlandse situatie blijft ook nu nog – aan de vooravond van de Deltabeslissingen – lastig te beoordelen. De randvoorwaarden zijn gebaseerd op aannames over de manier waarop de bovenstroomse gebieden omgaan met lange termijn onzekerheden (over bijvoorbeeld de hoeveelheid rivierwater). Deze aannames zijn pas laat afgestemd met de bovenstroomse partijen. Daardoor rekent Nederland voorlopig met onzekerheden, ook in het Deltaprogramma. Een deelnemer stelt dat het hoog water ook in het Duitse gebiedsdeel van de Rijn ‘over de straten kan lopen’, en dus niet in Nederland.   
Inhaalslag
Wat betreft internationale afstemming over de aannames achter het Deltaprogramma zal nog een inhaalslag moeten plaatsvinden, meent Linsen, voordat Nederland internationale eisen kan stellen aan het waterbeleid in andere landen. Hij vindt het belangrijk dat er duidelijkheid komt over de ambities in de (internationale) regio’s. Daarbij vraagt Linsen vraagt zich ook hardop af hoe ver Europa wel moet gaan met het waterbeleid, een standpunt dat vaker in Nederlandse kringen klinkt. Het is goed dat de doelen op Europees niveau abstract worden geformuleerd. “Laat het maar aan de landen over om de juiste maatregelen te treffen – zolang ze maar bijdragen aan het gezamenlijke doel in een stroomgebied.”