Uitvoering Kaderrichtlijn Water blijkt bestuurlijk zware dobber

Dat was de uitkomst van de bestuurlijk conferentie die door het ministerie van Infrastructuur en Milieu op 27 mei in Amersfoort was georganiseerd. Het ministerie had alle partijen die betrokken zijn bij de kwaliteit van oppervlaktewater uitgenodigd om de doelstelling van de Kaderrichtlijn Water nog eens goed tegen het daglicht te houden. De aanwezige partijen werden gevraagd bij te dragen aan een gezamenlijke verklaring waarin opnieuw de doelen voor de Nederlandse waterkwaliteit worden onderschreven en met welke extra inzet dat kan worden gerealiseerd.
Op de bestuurlijke conferentie hielden alle partijen echter hun kaarten nog op de borst en al snel werd duidelijk dat de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water bestuurlijk heel moeilijk is. Waar voorheen sprake was een emissiebeleid gericht op de sectoren die lozen op oppervlaktewateren, is nu sprake van een gebiedsgerichte aanpak waarbij de meest optimale herinrichting centraal staat. Als voorbeeld werd genoemd het Kristalbad bij Hengelo waar een recreatiegebied is heringericht dat nu tevens dienst doet als waterberging en effluentzuivering van de rwzi.
Waar voorheen sectorafspraken werden gemaakt,  zo gaat het nu om de optelsom van al deze regionale projecten. Echter de gevolgen van die projecten op de verbetering van de waterkwaliteit worden niet afgemeten aan het wel of niet halen van de KRW-doelen.
Waarschuwing Planbureau
De oproep tot een tandje erbij heeft te maken met gemor in de Tweede Kamer. Bij gelegenheid van de conferentie waarschuwde  het Planbureau voor de Leefomgeving opnieuw  dat Nederland de Kaderrichtlijn Water in 2027 niet gaat halen. Het Planbureau heeft daar al regelmatig voor gewaarschuwd en deed dat opnieuw op grond van een eerste analyse van de 2e stroomgebiedbeheerplannen (SGBP) 2016-2012 die door de waterbeheerders recentelijk ter inzage zijn gelegd. Deze plannen moeten in december formeel bij Brussel worden ingediend.
In een tussentijds rapportage laat het PBL weten dat de waterkwaliteit door de nieuwe SGBP-plannen wel zal verbeteren, maar onvoldoende om alle waterlichamen in 2027 te kunnen laten voldoen aan een goede chemische en ecologische toestand. Vooral de overmaat aan stikstof en fosfaat staat volgens het bureau een goede ecologische kwaliteit in de weg. 
Realistische doelen
Gedeputeerde Josan Meijers van Overijssel gaf namens de provincies de aftrap van de conferentie. Zij drong aan op realistische doelen en sprak over de optie van fasering en het stellen van prioriteiten. Daarmee leek ze de deur te openen voor een discussie over doelverlaging, maar later sprak ze dat tegen.  
Ook Willem-Henk Streekstra van VNO-NCW gaf in zijn bijdrage de indruk het einddoel van de Kaderrichtlijn niet haalbaar is. Volgens hem is de richtlijn gemaakt voor natuurlijke riviertjes als in Schotland, maar niet voor ‘man-made ‘ Nederland. Hij wees erop dat de landbouw al veel heeft gedaan om de bemesting terug te dringen en dat een verdere reductie van nutriënten in het water alleen mogelijk is met een brede verduurzaming van de hele agroketen. Dat geeft heel veel nieuwe kansen, ook economisch, aldus Streekstra, maar dat gaat volgens hem niet voor 2027 gebeuren.
Betere uitvoering beleid
Van de zijde van de waterschappen werd vooral aangedrongen op een betere uitvoering van het bestaande beleid voor mest en bestrijdingsmiddelen. Met het nieuwe Programma Aanpak Stikstof en de Nota duurzame gewasbescherming, hebben de waterschappen volgens Unie-bestuurster Hennie Roorda voldoende middelen om de landbouw en tuinders tegemoet te treden. “Op de helft van alle meetlocaties wordt de normen voor nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen overschreden. Toch zijn er geen nieuwe plannen nodig om die overschrijdingen aan te pakken”, aldus Roorda. Het gaat wat haar betreft veel meer om een scherpere uitvoering van de bestaande plannen en noemde met name het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer. “Er zijn voldoende pilots uitgevoerd die hebben laten zien hoe het anders kan. Het gaat er nu om dat andere boeren en tuinders die voorbeelden gaan overnemen.” 
Roorda wees erop dat boeren aanspraak kunnen maken op 60 miljoen euro uit de pot van het plattelandsontwikkelingsprogramma (POP 3). In een verscherpte handhaving ziet ze niet veel. “Dat is een lastige weg omdat het vraagt om 24-uurs toezicht want achteraf is heel lastig te bewijzen wie de verontreiniging heeft  veroorzaakt.”
Extra zuivering
Het meest helder in de bijdragen was directeur Renée Bergkamp van Vewin. De drinkwaterbedrijven merken de slechte waterkwaliteit direct in de portemonnee. Vooral als daar steeds hogere concentraties nieuwe probleemstoffen – vooral medicijnen – bijkomen. In veel  waterwingebieden moeten de drinkwaterbedrijven het ingenomen water al extra zuiveren. Bergkamp constateerde dat zo de consument betaalt en niet de vervuiler. Dat kan volgens haar niet de bedoeling zijn.
“Het is niet makkelijk, maar dat betekent niet dat het minder noodzakelijk is”, hield Bergkamp de aanwezigen voor. “Er wordt getut. De waterkwaliteit is niet op orde en er moet een tandje bij. Dat kan alleen als de financiële prikkels goed worden gelegd”, aldus de Vewin-directeur. Ze hekelde het feit dat het mestbeleid en het bestrijdingsmiddelenbeleid niet direct zijn gekoppeld aan de waterkwaliteit.
Strakkere regie
Alle partijen waren het er wel over eens dat het Rijk een strakkere regie moet gaan voeren.  Echter toen directeur-generaal Peter Heij van het ministerie van IenM daarop een voorschot nam en opperde de meststromen verder in te dammen, schot Peter de Koeijer van LTO direct in de verdediging: “De boeren hebben al heel veel gedaan. De bemesting is momenteel al minder dan de gewassen opnemen dus het teveel aan nutriënten in het oppervlaktewater heeft te maken met de nalevering door de veel intensievere bemesting van vroeger.”  Ook De Koeijer ziet mogelijkheden voor verdere verbetering als meer boeren de goede voorbeeldprojecten overnemen. Hij riep op tot een programma maar legde de bal daarvoor direct bij de overheid.
De bestuurlijke conferentie was de aftrap van een gemeenschappelijk overleg om over enkele weken te komen tot de Verklaring van Amersfoort.