Slibmotor maakt van last een lust

Lamsoor, muizenoortje, platte slijkgaper en kokkeltje: aan flora en fauna geen gebrek op kwelders. Deze door slib gevormde buitendijkse gebieden werken bovendien als verdedigingslinie voor het achterland, aangezien de kwelder golven afremt en zo hun impact op dijken beperkt.

Veel voordelen dus, met slechts één nadeel: een kwelder groeit maar traag. Onder de noemer EcoShape starten onder meer kennisinstituut Deltares en onderzoeksinstituut Imares daarom een project om de kweldergroei bij Koehoal, een plaatsje in de buurt van het Friese Harlingen, een flinke boost te geven. 
Hun plan: een deel van de 1,2 miljoen kubieke meter slib die jaarlijks in de haven van Harlingen gebaggerd wordt op een slimme plek verspreiden, zodat meer slib blijft liggen op de kwelder. En nu zij half september een subsidie van bijna een miljoen euro hebben gekregen van het Waddenfonds, kan het project ‘Kwelderontwikkeling Koehoal door middel van een slibmotor’ (dat totaal zo’n 1,3 miljoen euro kost) flink vaart gaan maken.
Meer veiligheid
Thijs van Kessel, senior adviseur en onderzoeker bij Deltares, begeleidt samen met zijn collega Bas van Maren het project. Om maar gelijk een mogelijk misverstand uit de wereld te helpen: er is niets mechanisch aan een slibmotor. Maar wat is het dan wel? “We werken met slib die toch al verspreid moet worden. De haven van Harlingen slibt namelijk aan. Dat slib gaan we dichter bij de kwelder verspreiden. Enerzijds zorgt dit ervoor dat zo min mogelijk van het slib terugkeert naar de haven, anderzijds willen we zo de kweldergroei stimuleren.”
Volgens Van Kessel is de slibmotor innovatief omdat het zorgt voor een multidisciplinaire optimalisatie. “Als de haven en de baggeraar enkel kijken naar het baggeren en verspreiden van slib, dan ben je monodisciplinair bezig. Maar als je het materiaal dat je kwijt wilt raken nuttig kunt inzetten, dan maak je van een last een lust. Kweldergroei betekent meer natuur en meer veiligheid.”
Schop in de grond
Natuurlijk kost het meer om een baggerschip verder weg te laten varen, dus om dat gat te dichten is de subsidie van het Waddenfonds nodig. Van Kessel denkt niettemin dat de slibmotor op de lange termijn juist geld oplevert. “Als het project succesvol is, dan vergroot je de ecologische waarde van het gebied en verklein je de onderhoudsbehoefte van de dijken. Hierdoor hoeven dijken minder vaak versterkt te worden, wat heel veel geld bespaart. Bovendien kan de kweldergroei ook meer toerisme opleveren.” 
De projectleider onderstreept dat het Waddenfonds het geld inzet als een doe-subsidie: de schop moet echt de grond in. “Het project is een praktijkpilot met een onderzoekscomponent, maar vooral een kwestie van aanleggen en monitoren.” Om ook zoveel mogelijk rendement te halen uit het onderzoek, zijn Deltares en Imares nauw betrokken bij een onderzoeksvoorstel over de slibmotor, ingediend door het NIOZ, de TU Delft en Wageningen University & Research centre bij technologiestichting STW. “Hopelijk gaat dat door, want dan kunnen we twee promovendi en een postdoc aannemen om de onderzoekscomponent te versterken.”


Trial and error
Als projectleider is Deltares betrokken bij twee onderdelen: modellering en monitoring. Bij modellering proberen Van Kessel en zijn collega’s te voorspellen waar het slib het beste gelost kan worden om via de bewegingen van het water en het sediment zoveel mogelijk aangroei op de kwelder mogelijk te maken. “Dat kunnen we wel proberen uit te zoeken via trial and error, maar dat is zonde van de tijd en het geld. We proberen daarom zo goed mogelijk in te schatten wat de optimale balans is tussen transporttijd en slibaangroei.” 
Bij monitoring gaat het erom dat Deltares de werking van de slibmotor zo goed mogelijk in kaart brengt. “Daarbij kijken we niet alleen naar de kweldergroei zelf, maar ook naar de processen die plaatsvinden.” Deltares zal zich hierbij vooral op het fysische deel richten, terwijl Imares vooral het onderzoek naar de ecologische effecten op zich neemt. 
Universeel toepasbaar
Het duurt alleen nog wel even voordat de partijen met hun analyse kunnen starten. “Nu de subsidie is toegekend kunnen we aan het werk. Dit betekent dat de baggeraar volgend jaar op basis van onze voorstudies het slib op andere plaatsen kan wegzetten. Vervolgens kun je na een jaar of twee de effectiviteit beoordelen en de eerste conclusies trekken. We willen daarbij dat het proces van de kweldergroei zo natuurlijk mogelijk verloopt. Dat is de uitdaging.” 
Op papier is de slibmotor voor veel meer gebieden bruikbaar dan de kust voor Harlingen alleen, zoals andere plekken in de Waddenzee en de Westerschelde. “Het idee is dat het concept universeel toepasbaar is. Wel ben je beperkt tot slibrijke kusten, want bij een zanderige kust is er te weinig slib of spoelt dit direct weg.” Ook moet je in de buurt van een haven zitten waar onderhoud plaatsvindt, benadrukt de adviseur. “Alleen dan heb je veel specie beschikbaar. Het gaat niet werken als je de slib elders wint en dan over lange afstand moet verplaatsen. Het gaat erom dat je materiaal dat je toch al hebt zo nuttig mogelijk inzet.”
Deelnemers
Deltares en Imares werken voor de slibmotor samen onder de vlag van EcoShape. Dat betekent niet dat zij de enige betrokken partijen zijn.  Zo is voor de slibmotor samenwerking met de baggersector, de gemeente Harlingen, de Friese natuurbeschermingsvereniging It Fryske Gea (Het Friese Landschap) en ingenieursbureaus essentieel. Bovendien zullen voor de monitoring en analyse van het proces ook andere partijen betrokken worden.