Roy Tummers (VEMW) pleit voor nieuw heffingssysteem afvalwaterzuivering gebaseerd op kostenoriëntatie, transparantie en duurzaamheid

Paulus Jansen maakt zich in zijn bijdrage voor het discussieforum zorgen over bedrijven die afhaken van de infrastructuur van het waterschap. Die zorg is terecht! Inderdaad is dit een ongewenste ontwikkeling. Gevolg is namelijk dat de andere gebonden lozers  (burgers en bedrijven) meer moeten betalen aangezien de vaste lasten over minder lozers moeten worden gespreid. Ook kunnen er capaciteitsproblemen ontstaan bij de RWZI’s . De oplossing die Jansen lijkt voor te stellen (‘bedrijven verplichten om gebruik te maken van de communale zuivering’) is echter weinig creatief en bovendien onhaalbaar omdat waterschappen bedrijven sinds de komst van de Wabo niet langer kunnen tegenhouden als zij hun afvalwater zelf willen zuiveren. Belangrijker nog is dat zijn oplossing het onderliggende probleem niet aanpakt. Dat probleem ligt verscholen in het systeem.
 
Afhaken nam aan het eind van de vorige eeuw een hoge vlucht door de sterk gestegen zuiveringstarieven. In die tijd legde de zogenaamde Commissie Togtema uit dat overwegingen van bedrijven om af te haken voortvloeiden uit het feit dat elke waterbekeerder voor alle lozingen hetzelfde tarief per vervuilingseenheid rekent, en in dat tarief bovendien kosten zijn verdisconteert die geen relatie hebben met het zuiveren van afvalwater. Het tarief wordt simpelweg vastgesteld door de kosten te delen door het aantal vervuilingseenheden. Deze benadering gaat voorbij aan het feit dat specifieke kenmerken van afvalwater zoals: samenstelling, debietvariatie en temperatuur maar ook de bezettingsgraad van de ontvangende zuivering tot een geheel andere kostenopbouw kunnen leiden dan in het huidige vaste tarief worden gepresenteerd. Ook wordt de heffing nog steeds gebaseerd op mogelijk schadelijke effecten voor het milieu.  Dat is opmerkelijk nu er anno 2014 op een andere manier tegen afvalwater wordt aangekeken. Afvalwater wordt namelijk beschouwd als een waardevolle bron van energie en grondstoffen. Bovendien kan afvalwater dat rijk is aan organische stoffen de doelmatige werking van een zuivering bevorderen, hetgeen leidt tot lagere kosten. Helaas klinken transparantie, kostenoriëntatie en duurzaamheid nog steeds niet door in de antieke financieringsstructuur die we in Nederland gebruiken. Een nieuw en transparanter systeem gebaseerd op kostenoriëntatie en duurzaamheid kan ertoe leiden dat bedrijven de zuivering van hun afvalwater aan de waterschappen overlaten zodat onderbezetting op de RWZI wordt voorkomen en bedrijven zich kunnen concentreren op hun kerntaken.
 
Verder valt op dat het betoog van Jansen op onderdelen nogal eenzijdig is. Zo wekt hij de indruk dat bedrijven enkel en alleen afhaken vanwege het kostenaspect. Dat is wel een erg smalle benadering. Uiteraard speelt het kostenaspect een rol. Echter, voor veel bedrijven geldt dat er ook andere redenen kunnen zijn om af te haken. Hierbij kan worden gedacht aan procesoptimalisatie en –integratie. Zo kan het biogas dat met een eigen waterzuivering wordt opgewekt dienen voor energieopwekking. Jansen stelt dat bundeling van afvalstromen op de RWZI leidt tot rendabele investeringen. Dat is nog maar de vraag. Zeker als het gaat om de grondstoffenfabriek heeft de praktijk nog niet aangetoond dat dit werkelijk zo is. Bovendien zijn afvalstromen van bedrijven vaak zo geconcentreerd dat een benadering op individueel niveau wellicht efficiënter is. 
Jansen stelt voorts dat bedrijven die zelf zuiveren minder goede zuiveringsprestaties leveren dan publieke installaties. Bedrijven die het water zelf zuiveren en lozen worden geacht de best beschikbare technieken toe te passen en beschikken over zeer geavanceerde zuiveringen. De benodigde vergunning verkrijgen ze pas na een uitvoerige beoordeling de ‘restlozing’: de lozing die overblijft na toepassing van diezelfde best beschikbare technieken. Er is met andere woorden geen enkele reden om aan te nemen dat de zuiveringsprestaties van bedrijven achter blijven. Overigens wordt algemeen erkend dat waterverontreiniging door puntbronnen is teruggebracht tot een niveau dat niet meer als probleem wordt gezien, hooguit als een probleem van beheersmatige aard. Dit in tegenstelling tot de diffuse bronnen die wrang genoeg nog steeds worden ontzien.
 
Jansen vreest tot slot dat de controle op de naleving niet adequaat is. Ook deze bewering lijkt nogal ongefundeerd. Bedrijven die lozen zijn onderhevig aan handhaving door het bevoegd gezag. Dit geldt zowel voor (directe) lozingen op oppervlaktewater als voor lozingen op de gemeentelijke riolering. Handhaving geschiedt via het periodiek meten en bemonsteren van het te lozen afvalwater. Overigens leggen bedrijven net als waterschappen keurig verantwoording af over hun zuiveringsprestaties. Zij doen dit in hun milieuverslag.

Roy Tummers, directeur Water bij de VEMW