Kraanwater
In noodsituaties komen er misschien restricties op het gebruik van drinkwater. (foto: Wikimedia Commons.)

Het RIVM stelt dat geen gezondheidsschade zal ontstaan door 42 onderzochte ‘opkomende’ stoffen als die in een extreem lage dosis in drinkwater voorkomen. De rivierwaterbedrijven (RIWA) vrezen dat hierdoor de veroorzakers van de verontreinigingen zich niet geroepen voelen om maatregelen te treffen. RIVM en RIWA zijn bezorgd over de risico’s van zogeheten mengseltoxiciteit.

“De 42 geselecteerde stoffen uit het RIVM-onderzoek overschrijden allemaal de signaleringswaarde van 0,1 µg/l uit het ‘Protocol voor monitoring en toetsing drinkwaterbronnen KRW’ dat gebaseerd is op de streefwaarden uit het European River Memorandum. Slechts 5 van de 42 onderzochte stoffen zijn met een eenvoudige drinkwaterzuivering goed te verwijderen. Daarnaast blijkt dat maar liefst 8 van de 42 stoffen de signaleringsparameter uit de Drinkwaterregeling overschrijden. Deze stoffen overschreden tussen 2013 en 2015 gedurende 30 dagen of meer een concentratie van 1 µg/l, waardoor drinkwaterbedrijven een ontheffing hebben moeten aanvragen om rivierwater te kunnen blijven innemen”, stelt directeur Maarten van der Ploeg van RIWA Maas. Als het aan hem ligt horen verdergaande zuiveringsstappen bij de bron van de vervuiling te worden uitgevoerd op basis van het principe ‘de vervuiler betaalt’.

Cumulatieve effecten
Monique van der Aa van het RIVM vertelt dat er in het RIVM-onderzoek slechts ten dele is gekeken naar de gevaren van een optelling van de verschillende soorten stoffen. “Voor enkele stoffen waren er aanwijzingen dat ze hetzelfde toxicologische effect geven. We spreken dan van zogenaamde structuurverwante stoffen. In dat geval is rekening gehouden met mogelijke cumulatieve effecten door een somwaarde als drinkwaterrichtwaarde af te leiden. Dit is bijvoorbeeld gedaan voor carbamazepine en een metaboliet daarvan.”

Systematiek ontbreekt
Volgens van der Aa wordt er in Europese en nationale drinkwaterregelgeving voor enkele chemische parameters zoals trihalomethanen en pesticiden al rekening gehouden met cumulatieve effecten via een somnorm. “De wereldgezondheidsorganisatie (WHO, 2017) stelt dat er in de toekomst ook aanleiding kan zijn om ook voor andere groepen van chemische parameters somnormen op te nemen. Er bestaat vooralsnog echter geen algemeen geaccepteerde en tevens in regelgeving goed toepasbare systematiek, om de effecten van cumulatie van alle (bekende en onbekende) stoffen in de drinkwaterbron te bepalen. Daarbij komt nog dat tijdens het zuiveringsproces stoffen die zich in de drinkwaterbron bevinden kunnen worden afgebroken tot andere stoffen. Het is niet altijd mogelijk al deze afbraakproducten te identificeren. Dit is één van de redenen om het voorzorgsprincipe te hanteren. Tevens gebruiken waterbedrijven om deze reden periodiek effectgerichte testen in combinatie met chemische analyse (screening en identificatie), om hiermee mogelijke risico’s van mengseltoxiciteit te analyseren. Er vindt momenteel veel onderzoek plaats om deze technieken verder te verbeteren, onder meer via het bedrijfstakonderzoek van de waterbedrijven”, besluit Van der Aa.

Zicht op de herkomst
RIWA en RIVM pleiten er beiden voor om de bronnen en routes van de stoffen met concentraties groter dan 0,1 μg/l in beeld te brengen en daarmee zicht te krijgen op de oorzaken van de relatief hoge concentraties. Van der Ploeg: “Wij vinden ook dat de preventie van de belasting van het oppervlaktewater met antropogene stoffen zich niet alleen zou moeten richten op het voorkomen van (humane) toxiciteit. De consument verwacht gezond én schoon drinkwater. Zo verdienen ook stoffen die niet toxisch zijn maar wel moeilijk te verwijderen in een natuurlijke zuivering onze aandacht en moeten bij voorkeur bij de bron door de vervuiler worden aangepakt.”