Voorbeeld van het heringerichtte beekdallandschap Het Raam in Oost-Brabant tijdens het Lumbricusproject) (foto: WUR)

De afgelopen jaren is veel kennis en praktijkervaring opgedaan om het water- en bodemsysteem op de Nederlandse zandgronden aan te passen om de gevolgen van extremer weer op te vangen. Het nieuwe onderzoeksproject CASTOR (CAtchment Strategies TOwards Resilience) haakt hierop aan. “Wij maken een wetenschappelijke verdiepingsslag en kijken 100 jaar vooruit hoe een bodem- en watersysteem optimaal zou kunnen functioneren.”

De zandgronden van oost en zuid Nederland worden intensief gebruikt voor landbouw, natuur, waterwinning en wonen. Drie droge zomers op een rij maakten duidelijk dat het huidig gebruik tot problemen leidt. Als het klimaat nog verder verandert, ontstaat een onhoudbare situatie.

Bovendien speelt op de achtergrond nog de stikstofproblematiek. Stikstof verspreid zich immers via het grond- en oppervlaktewater door de hooggelegen zandgronden en zorgt zo voor verzuring van de natuur, bijvoorbeeld in kwetsbare beekdalen.

Haalbaarheid landschap van de toekomst

Er zijn wel ideeën over hoe het landschap van de toekomst er uit zou kunnen zien – denk bijvoorbeeld aan de NL2120 visie van WUR. Of die schetsen ook haalbaar zijn, en via welk pad je een gewenste toekomst kunt bereiken, is de vraag. Het nieuwe 5-jarige CASTOR-project wil dit onder meer in kaart brengen.

Dat gebeurt in een projectteam vanuit verschillende vakgebieden (onder meer bodemgeografie, integraal waterbeheer, landinrichting en bestuurskunde), en in nauwe samenwerking met overheden, (kennis)organisaties, drinkwaterbedrijven en betrokkenen uit het gebied.

Het project wordt geleid door Wageningen Universiteit en gefinancierd door NWO,die bijna twee miljoen euro beschikbaar heeft gesteld aan het consortium vanuit de Nederlands Wetenschaps Agenda.

Wetenschappelijke verdiepingsslag

Het CASTOR-project is in feite een wetenschappelijke verdiepingsslag van andere onderzoeken naar deze materie. Een mooi voorbeeld is het Lumbricus-project dat waterbeheerders handvatten geeft hoe ze klimaatrobuust bodem- en waterbeheer in beekdalen en omliggende hogere zandgronden in de praktijk kunnen aanpakken. Of het Nederlands Hydrologisch Instrumentarium voor het verzamelen van software en data voor grondwater- en oppervlaktewater.

Een ander voorbeeld is het KLIMAP-project, dat in juni 2020 van start is gegaan. “De focus ligt op de regionale en landelijke uitrol van maatregelen die lokaal hun waarde hebben bewezen”, gaf Myrjam de Graaf, projectleider namens Wageningen Environmental Research, eerder op WaterForum aan.

Het nieuwe CASTOR-project haakt aan bij het Lumbricus en KLIMAP-project “Naast de wetenschappelijke verdiepingsslag kijken wij 100 jaar vooruit hoe een water- en bodemsysteem op de zandgronden optimaal zou kunnen functioneren. Hierbij laten we los wat er nu allemaal in het systeem gebeurt”, zegt prof. dr. Jakob Wallinga, penvoerder namens het consortium en hoogleraar aan de WUR.

Grenzen opzoeken

Een belangrijk doel is om de grenzen op te zoeken die het intensieve gebruik voor landbouw, natuur, waterwinning en wonen en de combinatie daarvan met zich meenemen. “Het idee erachter is dat een landschap zichzelf in een evenwicht moet kunnen houden. Maar we willen en kunnen niet terug naar een beboste omgeving, zoals in het verre verleden, waarin de mens een beperkte rol speelt.”

Het huidige landschap op de hooggelegen zandgronden houdt zich volgens hem in evenwicht door een scala aan regels en belangen. Het kan echter niet meer goed functioneren door de gevolgen van klimaatverandering, met extremer weer, zoals droogte en piekbuien. Ook leidt het huidig intensief gebruik van het landschap tot milieuschade.

Functie volgt peil

De onderzoekers willen verder in kaart brengen welke functies het beste aansluiten op bepaalde plaatsen in het landschap. Wallinga geeft een voorbeeld. “Gebruik bijvoorbeeld plaatsen die van nature nat zijn voor functies die hier tegen kunnen. Denk aan de teelt van gewassen zoals wilgen, riet of lisdodden. Of dat je deze plaatsen voor de natuur benut.” Het alomvattende idee is dus om tot een bodem- en watersysteem te komen waar de natuurlijke waterpeilen worden hersteld en functies hierop aansluiten. “Kortom: functie volgt peil in plaats van peil volgt functie”, besluit Wallinga.