Nieuw afwegingskader voor investeren in dijkversterking

Wanneer is een dijk veilig genoeg? Onder het motto ‘monitoren en/of versterken?’ bogen verschillende deskundigen zich op 4 juli in de aula van de TRU Delft over de vraag wat te doen met waterkeringen die niet aan veiligheidsnormen voldoen. 
De bijeenkomst stond in het teken van het afgeronde promotieonderzoek van Timo Schweckendiek (Deltares/TU Delft) naar het terugdringen van onzekerheden over piping. Dit proces, waarbij een kwelwaterstroom een dijk van binnenuit erodeert, is een van de geotechnische mechanismen die dijken verzwakken en kunnen doen falen.
Vraagstuk en aanpak
In de aula van TU Delft gaf gastheer Bas Jonkman (TU Delft) allereerst een indruk van het huidige waterveiligheidsvraagstuk in Nederland. Er ligt een opgave: uit de vierjaarlijkse toetsing van dijken blijkt dat 1200 strekkende kilometer dijklichaam niet voldoet aan de heersende veiligheidsnormen.Ten tweede blijkt uit recent onderzoek dat het faalmechanisme piping een serieus veiligheidsrisico vormt. In het verlengde van nieuwe veiligheidsnormen, in het kader van het Deltaprogramma 2015, vergen met name in het rivierengebied gelegen dijken extra maatregelen die tegelijk duurzaam en efficiënt zijn. Ofwel, welke kosteneffectieve aanpak zorgt voor voldoende bescherming? Uitkomsten van modelberekeningen worden echter omgeven met onzekerheden, niet in het minst als gevolg van gebrekkige kennis van de ondergrond. Toegepast onderzoek zoals dat van Schweckendiek, benadrukt Jonkman, draagt bij aan een onderbouwde aanpak.
Sturen op risico’s
In het streven naar betere ontwerpen voor infrastructuur en minder beheer- en onderhoudskosten wordt in verschillende sectoren een risicogestuurde benadering toegepast: het vinden van een balans tussen faalkansen, maatregelen en kosten. De offshore-industrie, vertelde Michael Faber (Technische Universiteit van Denemarken), kampt onder meer met corrosie en metaalmoeheid. Faber heeft aan de hand van deze faalmechanismen onderzocht hoe je doelmatig in inspectie en onderhoud kunt investeren. Raphaël Steenbergen (TNO/Universiteit Gent) deed vervolgens uit de doeken hoe, in de veiligheidsbeoordeling van bruggen, monitoring en proefbelastingen onzekerheden in verkeersbelastingmodeluitkomsten helpen reduceren. Aantoonbaar veilige bruggen hoeven niet te worden vervangen, wat geld scheelt.
Afwegingen maken
Hoewel maximale proefbelastingen van dijken niet aan de orde zijn, is het volgens Timo Schweckendiek heel goed mogelijk om in situ-informatie, gegevens uit het veld, over faalmechanismen van waterkeringen te vergaren. Tijdens en na een hoogwater kun je aan landzijde gevallen van zandmeevoerende wellen of piping onderzoeken. Of waarnemen dat deze zich niet voordoen, tegen de verwachting in. Grondonderzoek geeft een beeld van de grondgesteldheid ter plekke. “De vraag is vooral hoeveel informatie je nodig denkt te hebben om vast te kunnen stellen of sprake is van een acceptabele kans op overstroming.” Een vraag die, merkt hij op, in lijn is met de probabilistische benadering van waterveiligheid die het Deltaprogramma voorstaat: besluitvorming op basis van aanvaardbare overstromingskansen. Schweckendiek heeft daartoe een afwegingskader opgesteld. Worden investeringen in grondonderzoek of monitoring terugverdiend door te besparen op dijkversterkingen? De voorbeelden in zijn onderzoek suggereren van wel. Waarmee een belangrijk instrument voor besluitvorming voorhanden lijkt te zijn.
Van de promotie van Timo zijn filmopnames gemaakt. Deze opnames zijn te bekijken via de website van de TU Delft.