De Europese watersector verzamelde zich op 23 en 24 maart in Brussel om de stroomgebiedbeheerplannen, die sinds 2009 worden uitgevoerd, te evalueren. Volgens de Kaderrichtlijn Water die in 2000 van kracht werd, zouden alle Europese wateren in 2015 een goede ecologische en chemische status moeten krijgen. “Dat is niet helemaal gelukt”, erkende Karmenu Vella, de nieuwe Europese milieucommissaris. Sinds 2009 is het aantal wateren met een goede ecologische status gestegen van 43% naar 53%, blijkt uit recent onderzoek van het Europese Environment Agency. De nieuwe stroomgebiedbeheerplannen liggen nu ter inzage en moeten voor het eind van dit jaar worden goedgekeurd.

Nederland is een uitzondering
De Nederlandse wateren scoren slecht in de beoordeling van de Europese Commissie. Het European Environmental Agency (EEA) publiceerde op 9 maart een rapport over hoe de verschillende Europese lidstaten de Kaderrichtlijn Water hebben geïmplementeerd en wat er nog moet gebeuren om tot een goede ecologische status te komen. Daaruit blijkt dat negentig procent van de Nederlandse wateren geen goede ecologische kwaliteit heeft. Hetzelfde geldt voor België, Luxemburg en grote delen van Duitsland. In 2012 kreeg slechts 1 procent van de Nederlandse water een goede ecologische status.

Resultaat geboekt
Het ministerie van IenM liet naar aanleiding van het EEA-rapport in een schriftelijke reactie weten op dat de publicatie een vertekend beeld geeft. Het EEA baseert zich op gegevens die in 2009 zijn gepubliceerd. Uit nieuwe metingen tussen 2010 en 2013 ontstaat een positiever beeld. Diederik van der Molen van IenM laat in Brussel zien dat er ook in Nederland wel degelijk resultaten zijn geboekt. Het ministerie van IenM heeft de uitgebreide monitoring gebruikt in de ontwerp-stroomgebiedbeheerplannen 2016-2021, die nu ter inzage liggen. Daarin geeft het ministerie aan dat 21 tot 43 procent van de afzonderlijke vier biologische parameters in de goede toestand verkeert. Binnen enkele jaren is er een toename van 2 tot 11 procent gerealiseerd. Er zijn ook concrete resultaten, zoals de terugkeer van de zalmachtige vis Houting en afgelopen week was er een hoopvol signaal over de mogelijke terugkeer van Zeegras in de Waddenzee.

Verbeterde waterkwaliteit onzichtbaar in Brussel
Doordat de Europese Commissie alleen wateren die voor 100 procent aan alle criteria voldoen, kwalificeert met het predicaat ‘ecologisch goede status’ staat Nederland voor een grote opgave. “Er is in Nederland de afgelopen vijftien jaar hard gewerkt aan de verbetering van de waterkwaliteit. Van der Molen:  “Ik liet in Brussel zien dat met deze voorgeschreven werkwijze ‘one-out-all-out’ voor het hele Rijnstroomgebied nu, in 2021 en vermoedelijk ook in 2027 slechts een paar procent van de wateren aan de goede toestand zullen voldoen.“

Inspanning in beeld
Nederland bestrijdt niet dat je er uiteindelijk naar moet streven om alle stoffen, planten en dieren ‘goed’ te krijgen. Voor de drinkwaterbereiding zijn bijvoorbeeld alle chemische stoffen relevant. Maar Nederland vindt dat het ook mogelijk zou moeten zijn om in de rapportage te zien of slechts één stof verantwoordelijk is voor een slechte score of een heel scala aan stoffen. Daarmee wordt duidelijk of een land een inspanning heeft geleverd. Van der Molen verwacht overigens dat de waterkwaliteit in Nederland de komende jaren verder zal verbeteren, zoals door het openen van de Haringvlietsluizen, maar erkent ook dat er nog veel moet gebeuren.

Lastige boodschap
Nederland heeft de Europese Commissie er  het afgelopen jaar al op gewezen dat het beeld van het EEA niet representatief is. De prestaties worden slechter naarmate het monitoringsprogramma vollediger is. Er was veel bijval vanuit andere lidstaten. Vanuit het Verenigd Koninkrijk werd aangegeven dat het beeld in 2015 hierdoor negatiever wordt dan in 2009. De Europese Commissie erkent dat er stoffen zijn waarvoor de lidstaten in feite alle maatregelen reeds hebben genomen, maar die desondanks nog lang in het milieu aanwezig zullen blijven. De Commissie erkende ook dat het voor lidstaten een lastige boodschap is dat er geld wordt uitgegeven voor maatregelen, terwijl de Europese indicatoren die veranderingen in het veld niet zichtbaar maken. Daarom biedt zij aan om samen met de lidstaten aanvullende indicatoren vast te stellen, waarbij de Nederlandse voorstellen een belangrijk vertrekpunt zijn.