Meer regen in de stad vraagt om meer aandacht, waterschappen ten onrechte terughoudend

Waterschappen zijn lang een soort ‘boerenrepublieken’ geweest, van oudsher gedomineerd door de agrariërs. Inmiddels maakt de boerenstand nog minder dan 1% uit van de Nederlandse bevolking en betalen de inwoners van stad en Vinexwijk het leeuwendeel van de waterschapsrekening. Uit recente stukken van de Unie van Waterschappen blijkt dat alle burgers samen ruim zeventig procent van de kosten van waterschappen betalen, en boeren gezamenlijk minder dan 5%. 

En waar wonen de meeste burgers? In het stedelijk gebied. Toch wordt het leeuwendeel van het geld van waterschappen nog altijd uitgegeven in het landelijk gebied. In een recente bijeenkomst bij diezelfde Unie bleek dat vooral waterschapsbestuurders van oostelijke waterschappen waar landbouw veel belangrijker is dan in het westen, het niet eens waren met de stelling “om het waterschapsgeld 50:50 te verdelen tussen platteland en bebouwde kom”. Terwijl de problemen de komende jaren zich juist in het stedelijk gebied zullen voordoen. Overlast is vervelend voor burgers, daar zou je misschien nog je schouders over kunnen ophalen. Maar wateroverlast zoals vorig jaar in Amsterdam waarbij enkele metrostations volliepen, leiden tot economische schade voor de b.v. Nederland. 

Het is waar de individuele boeren een behoorlijk bedrag van duizenden euro’s aan waterschapslasten moeten betalen, maar dat komt grotendeels doordat bedrijven inmiddels het land van hun buren hebben opgekocht, en voor elke hectare moeten natuurlijk waterschapslasten worden betaald. Maar het is ook waar dat de burgers de waterschapsuitgaven in het landelijk gebied zwaar subsidiëren. Terwijl de economische belangen in de stad veel groter zijn dan in de polder. 
De politieke trend uit Den Haag is duidelijk: er moet veel meer aandacht komen voor ‘water in de stad’. Voor de Algemene Waterschapspartij (AWP) is klimaatadaptatie een speerpunt. Nu de primaire keringen vrijwel op orde zijn, is het voorkomen van wateroverlast in de stad als gevolg van hoosbuien de grootste uitdaging voor de komende tien jaar. De openbare ruimte moet nog veel meer dan nu het geval is, worden ingericht om tijdelijk water te bergen. Dat kan in wadi’s, maar vooral ook in de ‘kratjes onder de parkeerplaats’ en in waterberging op platte daken. Het gaat daarbij om schaalgrootte: één waterton in de straat maakt weinig verschil, maar tweehonderd watertonnen kunnen helpen om de gevolgen van een piekbui af te vlakken.
En het gaat nog verder. Regenwater dat niet in het riool terecht komt, hoeft niet naar de zuivering te worden gepompt om daar weer te worden gereinigd. Dat scheelt energie en chemicaliën, en bovendien is geconcentreerd afvalwater meestal efficiënter te zuiveren dan afvalwater verdund met regenwater. Regenpijpen moeten worden ontkoppeld van de riolering, en water op straat moet afvloeien naar de singel of gracht.
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de openbare ruimte waarbij de waterschappen kennis en advies inbrengen. Inmiddels is er al heel veel ervaring opgedaan verspreid in Nederland met allerlei verschillende watermaatregelen in de bebouwde kom. De Unie samen met gemeenten, waterschappen en de onderzoeksclub van de waterschappen STOWA hebben het programma ‘Klimaat Adaptieve Stad’ (KAS) gelanceerd, met een eigen website vol met voorbeelden. 
Het is daarom verbazend dat juist de Unie en haar waterschappen zo terughoudend zijn in het verleggen van hun financiële zwaartepunt richting de burgers in de stad. Toch is dat precies wat moet gebeuren, om een serieus verschil te maken. Want, om af te sluiten met een oude boerenwijsheid: “niks voor niks, en weinig voor een klein beetje”.