“Luister beter naar natuurlijke processen”

Door Loes Elshof 
Zijn adviezen zijn veelal in lijn met het nieuwe Deltaprogramma, maar gaan er soms ook tegen in. Huib de Vriend, emeritus hoogleraar Rivierwaterbouwkunde, ondersteunt de missie van zijn naamgenoot in het kritisch tegen het licht houden van het huidige, door dijken gedomineerde veiligheidssysteem. Waterforum houdt een duogesprek.
Jullie zijn geen voorstander van dijkverhoging…
Marnix de Vriend: “Dijkverhoging moeten we zo lang mogelijk uitstellen, dat doe je alleen als echt niets anders meer helpt. Wel hebben we sterkere dijken nodig met meer breedte en inhoud zoals in Duitsland. We hebben teveel dijken gebouwd van bordpapier. Hoog en smal. En met bijkomende problemen als piping en het steeds sneller wegzakken van dijken.”
Huib de Vriend: “Dijken blijven niet eeuwig goed, die vergen veelal kostbaar onderhoud. Daarom zou je naar het systeem als geheel moeten kijken, nagaan of het anders kan.”
Marnix de Vriend: “En absolute veiligheid bestaat natuurlijk niet. We moeten ons niet in slaap laten wiegen door dijken en kunstwerken maar we moeten beter leren ‘leven met het water’ in plaats van ‘slapen achter de dijk’.” 
Waarin schiet het nieuwe Deltaprogramma tekort?
Marnix: “Het Deltaprogramma heeft de kans gemist om een gedegen studie te doen naar de waterverdeling tussen de Rijntakken. Die is wel nodig en duldt geen uitstel. De huidige waterverdeling is bij extreem hoogwater waarschijnlijk niet te handhaven en leidt tot onveilige situaties. De ‘Kosten Effectiviteits Analyse’ (KEA) die is gemaakt, deugt niet. De onderzoekers geven dat zelf ook toe maar het is niet duidelijk waarom zij niet de informatie en de tijd hebben gekregen om dit in één keer goed te doen. In de KEA afvoerverdeling zijn zowel de economische als de morfologische aspecten onderbelicht. Huib: “Er is sowieso veel te weinig kennis van de morfologie rondom splitsingspunten. De natuur zoekt zijn weg, ook in situaties van extreem verhoogde rivierafvoer van de Rijn. Dijken en kunstwerken kunnen worden ondermijnd. Wat doet de weerstand, wat de stabiliteit van de bodem? We weten niet wat er gebeurt en hebben ook geen ervaring met die omstandigheden.” 
Marnix: “We moeten de natuurlijke processen meer in ons systeem betrekken. Ruimte voor de rivier is hiervan een goed voorbeeld. Daarnaast is het zinvol om systeemingrepen te onderzoeken, zoals de aanleg van nieuwe rivierverbindingen. Een voorbeeld is een nieuwe verbinding tussen Nederrijn en Waal, in de Betuwe of tussen Rijn en Maas. De maatschappij kan daar soms van meeprofiteren. Dat blijkt ook uit Ruimte voor de Rivier.”
“De waterverdeling over de Rijntakken moet veel meer aandacht krijgen. Die is al 200 jaar lang in de berekeningen hetzelfde, 1/3 richting noorden en 2/3 naar het westen. Het is zeer de vraag of dit ook klopt bij extreme situaties als alles onder water staat.”
 Huib: “Je moet veel meer mogelijke afvoerverdelingen doorrekenen en onderzoeken op hun gevolgen. Zet daar gewoon een aantal promovendi op. Het is nu zo in Nederland: we weten niet beter, dus we laten het maar zo. Tot 2050!”
“In de 19e en 20e eeuw is de Rijn strak getrokken, vanwege het belang van de scheepvaart, maar ook om gezondheidsredenen en om ijsdammen te voorkomen. Hierdoor stroomt het water zeer snel door naar de Noordzee – ook de Maas is overigens zo’n ‘snelweg’ voor hoge afvoeren. In antwoord op onze ingrepen raakt de rivier steeds dieper uitgesneden, waardoor hoogwaters nog sneller onze kant opkomen. Die zogenaamde autonome bodemdaling is geen gegeven, maar iets dat mensen hebben veroorzaakt.”
Heeft de natuur hier een antwoord op?
Marnix: “Waar de natuur vrij spel heeft, slibt het land op. Door hoge dijken te bouwen haal je dit mechanisme weg. Uiterwaarden kunnen alleen functioneren als het hele systeem eromheen erop is ingericht. Je kunt dan veel meer met het water, zoals het vasthouden en bergen. Zorgen dat het omliggende gebied vochtig blijft, zodat de grond een sponsfunctie kan vervullen. Enkel hier en daar een retentiegebiedje aanleggen kan lokaal heel belangrijk zijn, maar helpt niet structureel.”
Huib: “Ik geloof dat je alleen met flinke slokken ook over grotere afstand de top van de afvoergolf eraf kunt krijgen. Je moet grote hoeveelheden afvangen. Daarom moet er langs de rivier een kralensnoer van retentiegebieden ontstaan.” 
Marnix: “Maar dit vraagt wel een andere benadering, want deze gebieden zijn op dit moment niet beschikbaar. Een kansrijk voorbeeld van zo’n nieuw retentiegebied zijn de Rijnstrangen bij het splitsingspunt van Rijn en Waal bij Pannerden. Het gebied zal mogelijk een functie terugkrijgen als hoogwaterretentiegebied. Retentie werkt het best over een beperkte afstand. Er moeten meer mogelijkheden komen voor lokale retentie. Zoals Dordrecht, dat water kan afvangen voor Rotterdam.  Wat je er uithaalt, komt niet meer terug.”
Maar wie gaat dit betalen?
Marnix: “Extra ruimte in de rivier en de bijbehorende ontwikkelingsmogelijkheden, zoals het eiland in de Waal bij Nijmegen, creëren nieuwe economische kansen voor de markt. Er moet meer ruimte zijn voor privaatpublieke investering. Bovendien worden in een natuurlijker systeem allerlei regelwerken overbodig. Dit levert grote besparingen op in beheer en onderhoud.”

Op 30 januari 2015 is er een congres naar aanleiding van het verschijnen van het inspiratie document. Meer informatie  of aanmelden vanaf  8 december via de website www.aqua-deltamarnix.com.