Lastige Duits-Nederlandse samenwerking langs de Rijn bij Lobith

Dijkringen 42 en 48 liggen aan weerszijde van de Rijn bij de grensovergang, deels in Nederland en Duitsland. Beide landen hanteren echter andere uitgangspunten als het gaat om de waterveiligheid langs de Rijn. Zo heeft de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen andere normen, zijn de dijken anders gebouwd en heeft de deelstaat veel minder geld beschikbaar. 

Op de conferentie kondigde de Duits-Nederlandse hoogwaterwerkgroep een nieuw onderzoek aan naar een toekomstige waterveiligheidsnormering voor beide polders, gebaseerd op de nieuwste inzichten op het gebied van risicoanalyse en de te verwachte afvoerdebieten als gevolg van de klimaatverandering.
De Duitse voorzitter van de werkgroep, Erik Buschhütter van het milieuministerie van Noordrijn-Westfalen liet weten bijzonder geïnteresseerd te zijn in een nieuwe studie. Wat hem betreft is de nieuwe Nederlandse risiconormering uit het Deltaprogramma het uitgangspunt. “Dat brengt aan de orde of het Deltaprogramma ook moet gelden voor de Duitse inwoners van beide dijkringen”, aldus Buschhütter.
De werkgroep heeft in 2010 de uitkomsten van een eerdere studie van het gebied gepubliceerd. Op de Hoogwaterconferentie kwam die studie uitgebreid aan de orde. Opvallend daarbij was dat op basis van de overstromingsrisico’s in 2006, zowel een dijkverhoging als de aanleg van compartimenteringsdijken, geen kosteneffectieve oplossingen zijn. Die uitkomst lijkt verklaarbaar uit het feit dat de Duitse dijken langs Rijn beter bestand zijn tegen overslag. 
Duitse dijken lager maar breder
De Duitse dijken zijn weliswaar lager maar tegelijk is de voet breder. Bij extreem hoogwater loopt het Rijnwater in Duitsland weliswaar eerder over de dijken dan in Nederland. Maar de hoeveelheid water die dan over de dijken stroomt is veel beperkter dan bij een bres waar aan de Nederlandse zijde eerder kans op is.
Opvallend is dat de dijken aan de Duitse kant – die stroomopwaarts ligt – zijn gedimensioneerd op een maximaal afvoerdebiet van 14.600 m3/s, terwijl in Nederland – dat stroomafwaarts ligt – al wordt uitgegaan van 16.000 m3/s. Nog een verschil dat bleek tijdens de conferentie is dat Duitsland nog geen idee heeft hoeveel de Rijnafvoer zal gaan veranderen als gevolg van de verwachte klimaatverandering.

Zorgen over en weer
De lastige vergelijking tussen Nederland en Duitsland liep als rode draad door de hele conferentie. Nederland maakt zich zorgen om de gevolgen van een dijkbreuk op de rechter Rijnoever bij Rees. Daardoor kan – via het achterland bij Doetinchem – het IJsseldal tot aan Deventer overstromen. De geschatte overstromingsschade als gevolg van zo’n bres kan dan tot 9 miljard euro oplopen.
Aan Duitse zijde maakt men zich juist zorgen over de linker Rijnoever, in dijkring 42. Bij een dijkbreuk in Nederland zal het water dan via het Nederlandse achterland naar Duitsland stromen en kan de stad Kleve onderstromen. Fijntjes werd er tijdens de conferentie op gewezen dat bij het Nederlandse hoogwater in 1995 vanwege de dreigende overstromingen, in Duitsland de evacuatieplannen toen uit de kast zijn gehaald.
Nederlands voorstel
Uit de eerder studie van de Duits-Nederlandse hoogwaterwerkgroep  blijkt dat als Noordrijn-Westfalen klaar is met het dijksaneringsprogramma de overstromingskans in dijkring 42 is verkleind tot 1:2.000 en in dijkring 48 tot 1:3.000. 
Tijdens de conferentie liet programmadirecteur Lilian van den Aarsen van het Deltaprogramma Rivieren weten dat afgelopen jaar in Nederland overeenstemming is bereikt over de Voorkeursstrategie Rivieren waarin voor dijkring 48 een nieuwe norm is voorgesteld van 1:30.000(langs Bovenrijn en Pannerdensch Kanaal) en 1:10,000 (langs de IJssel). Volgens Van den Aarsen zal dat de Nederlandse inzet zijn bij de Duits-Nederlandse afstemming. 
Het is nog niet bekend aan welke eisen de dijken aan de Duitse zijde in de toekomst moeten voldoen. Dat zal naar verwachting een belangrijk onderdeel gaan worden van de studie van de internationale werkgroep. De werkgroep zal zich waarschijnlijk ook gaan buigen over het gezamenlijk beheer en onderhoud van de dijken. Volgens Van den Aarsen geeft het Deltaprogramma nog tot 2050 de tijd om overeenstemming te bereiken en maatregelen uit te voeren.
Felle discussie over 18.000 m3/s
De conferentie eindigde met een felle discussie tussen de Nederlandse conferentiebezoekers onderling, over de Nederlandse aanname dat de maximale afvoer van de Rijn bij Lobith in 2100 tot 18.000 m3/s kan oplopen. Voorzitter Harry Sanders van het Hoogwaterplatform wees erop dat voor die aanname geen enkele wetenschappelijke grond bestaat omdat in Nederlandse studies geen rekening is houden met de kerende capaciteit van de Duitse dijken. Zolang de dijken in Noordrijn-Westfalen op 14.6000 m3/s zijn gedimensioneerd, zal er in Nederland nooit meer Rijnwater binnen kunnen stromen, zo redeneerde Sanders. Van den Aarsen verweerde zich door te stellen dat het Deltaprogramma Rivieren bewust is opgesteld zonder rekening te houden met het Duitse waterveiligheidsbeleid. 
De discussie over het potentiële en het werkelijke afvoerdebiet van de Rijn bij Lobith zal voorlopig niet verstommen want verantwoordelijk staatssecretaris Peter Knitsch van Noordrijn-Westfalen liet op de conferentie weten dat zijn deelstaat vooral op zoek gaat naar nieuwe retentiegebieden langs de zijrivieren van de Rijn. De deelstaat verwacht meer geld vanuit Berlijn voor het voorkomen van overstromingen. Knitsch maakte duidelijk dat Noordrijn-Westfalen vooralsnog geen plannen heeft om dat geld te gebruiken om de dijken langs de Rijn te verhogen, maar eerder om het afvoerdebiet te verkleinen.  De staatssecretaris gaf wel aan dat het voor zijn deelstaat een hele opgave zal worden om de gronden te verwerven die nodig zijn voor de aanleg van dergelijke retentiegebieden. 
Knitsch beloofde dat zijn deelstaat meer vaart zal zetten achter de huidige dijksanering in zijn deelstaat. Voor Nederland rest nu de vraag wat het vervolg daarop zal zijn: dijkverhoging, rivierverruiming of nog meer retentie. Verder spelen op de achtergrond nog mee de integrale afstemming met de andere bovenstroomse Duitse deelstaten, de uitvoering van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) en  het overleg in de Internationale Rijncommissie.