De ongewenste overmaat aan nutriënten leidt tot explosieve algengroei (eutrofiëring). (foto: Jac van Tuijn).

“Wees transparant, geef duidelijk aan welke maatregelen zijn overwogen, wat de onzekerheden rond de uitwerking van de maatregelen zijn en waarom bepaalde maatregelen niet zijn opgenomen”, zo adviseerde Diederik van der Molen van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de  deelnemers aan het symposium Uitvoering Kaderrichtlijn Water dat door de betrokken waterbeheerders was georganiseerd op 27 juni.

Op de bijeenkomst was duidelijk merkbaar dat de deadline voor het behalen van doelen van de Kaderrichtlijn Water in 2027 nu echt voor de deur staat. De Nederlandse waterbeheerders hebben zich twee keer eerder kunnen beroepen op uitstel. Maar nu staat de 3e tranche Stroomgebiedsbeheersplannen (SGBP) voor de deur en die moeten alle maatregelen bevatten waarmee Nederland verwacht dat alle ruim 700 in Brussel aangemelde waterlichamen gaan voldoen aan de criteria van een goed ecologisch potentieel. Belangrijk is dat de maatregelen uiterlijk in 2027 zijn genomen; er wordt al wel rekening mee gehouden dat bepaalde doelen pas later bereikt worden. De nieuwe SGBP-plannen moeten in december 2021 bij de Europese Commissie worden ingediend en daarom neemt de spanning nu toe omdat, vooral waterschappen en Rijkswaterstaat, moeten besluiten wel of niet extra te gaan investeren in waterkwaliteitsmaatregelen.

Kunstmatige wateren
Van der Molen gaf de waterkwaliteitsbeheerders het advies vooral nog eens goed te kijken naar de functies van de betreffende oppervlaktewateren. In Nederland zijn de meeste geclassificeerd als ‘sterk veranderd’ of ‘kunstmatig’ omdat er sprake is van peilbeheer, aanpassingen zijn gedaan voor de scheepvaart of omdat ze bedijkt zijn als bescherming tegen overstromingen. Voor deze wateren geeft de Kaderrichtlijn Water de mogelijkheid om waterkwaliteitseisen aan te passen. “De richtlijn vraagt niet om overal een natuurlijk water te herstellen”, zo liet Van der Molen weten. Hij adviseerde de beheerders nog eens goed te kijken naar eerdere keuzes en gebruik te maken van nieuwe meetgegevens. Zo is bij de afgeleide doelen voor kunstmatige wateren – zoals sloten en kanalen – een goed beheer altijd relevant, maar is aanpassing van de inrichting nadrukkelijk een bestuurlijke keuze. Enkele aanwezigen vroegen zich af dat niet gezien kan worden als een afzwakking van de KRW-doelen maar Van der Molen was heel pragmatisch op dat punt. Hij wees erop dat de richtlijn daar mogelijkheden biedt en raadde waterschappen en Rijkswaterstaat aan die ruimte met het oog op de deadline van 2027 nu volop te benutten.

Effectiviteit

In 2027 moeten alle EU-lidstaten alle maatregelen in uitvoering hebben genomen die uiteindelijk gaan leiden tot een goede ecologische waterkwaliteit in alle 110.000 in Brussel aangemelde waterlichamen. Dit betekent dat er een goede inschatting moet worden gemaakt van de effectiviteit van de aangemelde maatregelen. Op de bijeenkomst bleek dit een groot punt van zorg en als voorbeeld werd vaak gewezen op de effectiviteit van natuurvriendelijke oever. Bij de eerste tranche SGBP-plannen is daar zwaar op ingezet maar nu blijken die niet overal tot de verwachte  verbeteringen te leiden. Waarom ze op de ene plek wel en op de andere plek niet werken, is nog niet goed bekend. Daarom luidde het advies om nog eens goed te kijken naar de afleiding van doelen en de keuze van het maatregelenpakket van de vorige SGBP-plannen. “De onderbouwing met de kennis van nu gaat bij de uiteindelijke beoordeling van de plannen een belangrijke rol spelen”, zo voorspelde Van der Molen. Hij adviseerde de waterkwaliteitsbeheerders vooral transparant te zijn over de verwachte effecten van de gekozen maatregelen en om die kennis met elkaar te delen.

Disproportioneel

De ingezette lijn met de vorige SGBP-plannen kwam ook aan de orde in de workshop over disproportionele kosten. Vooral waterschappen staan onder druk hun heffingen niet te verhogen en hebben weinig ruimte om extra investeringen te doen. Zeker niet in maatregelen waarvan niet precies duidelijk is wat ze gaan opleveren. Zo werd het voorbeeld aangehaald van rwzi’s die lozen op kleine wateren. In de zomermaanden bestaat het water in die beken grotendeels uit geloosd effluent. Om de waterkwaliteit in deze beken te kunnen verbeteren, moeten waterschappen  investeren in waterzuiveringen met een hoger rendement. Sommige waterschappen hebben rwzi’s die veel op dergelijke kleine beken lozen en hebben dus nog een opgave liggen. De vraag is of een bestuur zo’n hoge rekening als ‘disproportioneel’ kan afdoen. “Dat hangt er heel erg vanaf wat zo’n waterschap in voorgaande jaren heeft gedaan”, zo stelde Van der Molen. “Waterschappen die 15 jaar geleden begonnen zijn, kunnen aantonen dat de opgave tijdig is opgepakt. Waterschappen die een boeggolf hebben gecreëerd en investeringen in vorige SBGP-plannen vooruit hebben geschoven, zullen het moeilijk krijgen om uit te leggen waarom zij niet eerder zijn begonnen met investeringen in hun rwzi’s.”

Politiek

Meerdere sprekers riepen op dat medewerkers bij waterschappen niet op voorhand bepaalde maatregelen die veel geld kosten, afschrijven. Leg keuzes voor aan het bestuur, zo luidde het advies. Dat maakt niet alleen zichtbaar wat de kosten zijn van de maatregelen die nodig zijn om de KRW-doelen te halen, maar daardoor komen ze ook op het bordje van de verantwoordelijken. Het is aan de politiek om te oordelen of bepaalde maatregelen ‘disproportioneel’ worden geacht.