Landbouwers hebben door toenemende droogte meer berhoefte aan irrigatiewater.

Het kabinet laat in een brief aan de Tweede Kamer weten sceptisch te zijn over de EU-verordening over hergebruik van gezuiverd afvalwater voor irrigatie in de land- en tuinbouw. Er is steun voor het doel van de Europese Commissie om waterschaarste te verminderen, maar twijfel of de huidige opzet het beoogde stimulerende effect zal hebben.

Het kabinet reageert met de brief op de stemming in het Europees Parlement op 12 februari over de nieuwe Europese minimumkwaliteitseisen om gezuiverd afvalwater uit rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) te gebruiken voor irrigatie in de land- en tuinbouw. De instemming van het Europees Parlement is volgens de Unie van Waterschappen een eerste stap in de richting van een Europese wetgeving voor rwzi’s als alternatieve irrigatiebron voor de land- en tuinbouw.

De urgentie hiervoor neemt toe door langere droogteperiodes, waardoor zeker in de zuidelijke lidstaten, steeds minder water beschikbaar is voor landbouwirrigatie. Volgens schattingen van Europese politici is het mogelijk om in Europa jaarlijks 1.7 miljoen tot 6.6 miljoen kubieke meter water per jaar te besparen door gezuiverd afvalwater te hergebruiken.

Twijfel over huidige opzet
Van Veldhoven en Wiebes schrijven in de brief naar aanleiding van de Milieuraad op 5 maart dat Nederland geen structurele waterschaarsteproblematiek heeft. De zomer van 2018 toonde volgens hen wel aan dat er regionale en tijdelijke waterschaarsteproblemen zijn. De scenario’s van het Deltaprogramma Zoetwater tonen aan dat dit in de toekomst zal toenemen door onder meer klimaatverandering. De toekomstige behoefte om gezuiverd afvalwater te hergebruiken zal dan mogelijk ook toenemen.

Het kabinet zet zich in om de verordening zo werkbaar mogelijk te maken. Ook is de Nederlandse inzet erop gericht om geen grote administratieve lasten bij de lidstaten neer te leggen, bijvoorbeeld door beperkte rapportageverplichtingen en het voorkomen van verplichte aparte vergunningstelsels die afwijken van al in lidstaten bestaande vergunningstelsels.

Positie lidstaten niet duidelijk
Van Veldhoven en Wiebes schrijven verder dat de onderhandelingen zich nog in een vroeg stadium bevinden. De posities van lidstaten zijn nog niet helemaal uitgekristalliseerd. Het is wel al duidelijk dat lidstaten verschillende visies hebben op het Commissievoorstel. Zo is een aantal lidstaten bang dat het voorstel leidt tot een verplichting om hergebruik toe te staan, zonder dat men hier nationaal een eigen afweging in mag maken.

Zuidelijke lidstaten steunen voorstel
Vooral zuidelijke lidstaten, met ruime ervaring met hergebruik van water, steunen volgens het kabinet het voorstel, maar vinden het in de huidige vorm te stringent en veeleisend. Ook is er discussie over de scope van het voorstel. Momenteel richt de verordening zich enkel tot gebruik als irrigatiewater in de landbouw. Diverse lidstaten geven aan open te staan voor het uitbreiden van de scope, andere lidstaten zijn expliciet tegen uitbreiding, omdat dit niet in de impact assessment is meegenomen.

Impact wetgeving beperkt
De impact van de wetgeving lijkt voor Nederland en de waterschappen als beheerders van rwzi’s momenteel nog zeer beperkt, stelt de Unie van Waterschappen. Het wetsvoorstel gaat namelijk niet over irrigatie vanuit sloten of grondwater. De Europese Commissie verwacht echter dat in de toekomst vanwege klimaatverandering ook in Nederland vaker een beroep zal worden gedaan op rwzi’s als alternatieve irrigatiebron.

De stemming van 12 februari is niet het einde van de procedure. De Europese lidstaten moeten hun standpunt over de nieuwe verordening nog bepalen. Pas daarna kunnen de onderhandelingen met het parlement van start gaan.