Bij de bouw van de zeesluis IJmuiden waren er problemen rond het DBFM-contract (foto: Rijkswaterstaat).

Rijkswaterstaat doet er goed aan om tijdens de aanbesteding van waterbouwprojecten in de bouwfase al rekening te houden met de gevolgen van de klimaatverandering. De kans bestaat anders dat bouwers in DBFM-contracten extra geld rekenen voor aanpassingen om op de klimaatverandering in te spelen. Dat stelt prof. Koppenjan van de Erasmus Universiteit Rotterdam naar aanleiding van een onderzoek naar de flexibiliteit van deze contractvorm.

Rijkswaterstaat heef de afgelopen vijftien jaar verschillende grote infrastructurele projecten in de markt gezet op basis van DBFM-contracten. Design, build, finance, maintain en eventueel operate werd in principe standaard bij grote projecten: de opdrachtnemer is gedurende de looptijd van soms wel 30 jaar verantwoordelijk voor ontwerp, bouw, financiering en onderhoud en soms beheer.

Rijkswaterstaat is bezig met een discussie over de toekomst van deze contractvorm. Ook zijn er binnen Rijkswaterstaat en onder bouwers geluiden dat de contractvorm niet flexibel genoeg is en niet altijd brengt wat het belooft.

Daarom voerde de Erasmus Universiteit Rotterdam, in opdracht van Rijkswaterstaat en Bouwend Nederland, een onderzoek uit. Twee vragen stonden centraal: wat zijn de lessen van 15 jaar werken met DBFM-contracten bij Rijkswaterstaat en in hoeverre voldoet dit type contract in de praktijk?

Flexibiliteit DBFM-contracten

De onderzoekers keken onder meer hoe er tijdens de uitvoering van vijftien projecten met flexibiliteit wordt omgegaan. De negatieve beeldvorming over DBFM-contracten is immers ontstaan omdat het bij aantal grote gww-projecten mis is gegaan. Zo loopt de aanleg van de nieuwe zeesluis IJmuiden door een constructiefout een vertraging op van 27 maanden. Volgens een nieuwe planning kunnen de eerste schepen niet in 2019, maar uiterlijk eind januari 2022 gebruikmaken van de nieuwe sluis. Het consortium OpenIJ, dat bestaat uit de bouwers BAM en VolkerWessels, bracht in december 2017 naar buiten dat er aanpassingen in het ontwerp nodig zijn.

Daar waar er bij DBFM-projecten problemen zijn ontstaan, komt dat volgens de respondenten niet zozeer door het contract, maar door factoren zoals gebreken in de uitvraag, het ontwerp, de risicoverdeling of de samenwerking. Factoren die ook bij andere projecten kunnen spelen. Samenwerking en de kwaliteit van relaties is van essentieel belang, aldus de auteurs van het rapport.

In een deelrapport komen vier waterbouwprojecten aan de orde: zeesluis IJmuiden, sluis Limmel, de Beatrixsluis en de sluis bij Eefde. Professor Joop Koppenjan benadrukt dat de onderzoekers deze casussen niet individueel in kaart hebben gebracht, maar op generiek niveau vooral hebben gekeken naar de prestatie van deze DBFM-projecten in vergelijking met de verwachtingen van de contracten.

Gevolgen klimaatverandering

Hierover interviewden de onderzoekers meerdere partijen, waaronder bedrijven die bij de projecten zijn betrokken. “Wij hebben door het generieke karakter van het onderzoek geen beeld in hoeverre in deze contracten rekening is gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering”, zegt Koppenjan. “Het ging vooral over de vraag hoe het nu met de flexibiliteit van DBFM-contracten is gesteld.”

Koppenjan stelt dat er wel degelijk ruimte is in de DBFM-contracten om rekening te houden met de gevolgen van de klimaatverandering. “Neem tijdens de aanbesteding bijvoorbeeld scenario’s mee die inspelen op de verwachte zeespiegelstijging. Leg vast dat bouwers ervoor zorgen dat hun project dat aankan.” Het betekent wellicht dat een project aan de voorkant duurder wordt, maar dat bouwers achteraf geen extra rekening kunnen sturen.

Meerwerkkosten

Uit het deelonderzoek blijkt dat de vier waterbouwprojecten een gemiddelde contractwaarde van 264 miljoen euro hebben. De meerwerkkosten bedragen per project gemiddeld iets meer dan 10 procent. Ter vergelijking: voor acht wegenbouwprojecten bedroegen de meerkosten ongeveer 15 procent. Verder valt het op dat de meerwerkkosten in DBFM-contracten voor de vier waterbouwprojecten veel lager zijn dan in design en buildcontracten. De DBFM-projecten presenteren daarmee in dit opzicht beter dan de D&C-projecten.