Droogmakerij
In de Noord-Hollandse veenweidegebieden en in de droogmakerijen is de achtergrondbelasting van fosfaat van nature erg hoog (foto: Wikimedia Commons).

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) wil voor de derde generatie stroomgebiedsbeheersplannen (SGBP-3’s) de KRW-doelen en -maatregelen gebieds- en watersysteemgericht vaststellen. De SGBP-3’s moeten in december 2020 naar Brussel worden gestuurd, dus HHNK is er op tijd bij. Volgens HHNK is dit een logisch voortvloeisel uit de aanpak die het hoogheemraadschap al in 2009 gekozen heeft.

“We zijn destijds gestart met het in beeld brengen van de achtergrondbelasting van nutriënten – stikstof en fosfaat – in al onze stroomgebieden”, zegt Gert van Ee, adviseur waterkwaliteit en ecologie, die de onderzoeken vanuit HHNK coördineert. “Dat was op basis van een trendanalyse over dertig jaar metingen. Daaruit bleek dat met name het fosfaatgehalte erg hoog was: 0,72 mg P/L totaal fosfaat. Dat komt vooral door de eeuwenlange invloed van het zoute water op ons gebied.”

De waarheid ligt in het midden
In de maatschappelijke en politieke discussie over het milieuprobleem van de nutriënten, is het goed om te weten wat de achtergrondbelasting van stikstof en fosfaat is. Van Ee: “De agrariërs roepen dat die nutriënten al in de bodem zitten en de natuur- en milieuorganisaties stellen dat de boeren zorgen voor de hoge waarden. Wij weten nu dat de waarheid in het midden ligt. In bijvoorbeeld de veenweidegebieden of in de droogmakerijen met veel kwel, daar komt de helft van het aangetroffen stikstof en fosfaat uit de ondergrond. Dat is rechtstreeks te herleiden tot het ‘zoute’ verleden van het gebied.”

Onhaalbare normen
De hoge achtergrondbelasting van met name fosfaat, heeft volgens Van Ee consequenties voor de haalbaarheid van landelijke normen. “Als je ziet dat de niet-beïnvloedbare fractie van fosfaat al hoger is dan de norm, dan weet je dat die norm onhaalbaar is. Daar moeten we dus iets mee. We hebben tussen 2009 en 2015 daarom alle achtergrondbelastingen van nutriënten in kaart gebracht, in 42 deelgebieden. Die kennis zijn we vervolgens gaan vertalen naar de KRW-doelen. Kort gezegd: we hebben onderzocht wat de draagkracht van een gebied is. Voor elk gebied kun je een soort ‘kantelpunt’ vaststellen, het fosfaatgehalte waarbij de waterkwaliteit verslechtert. Je kunt je voorstellen dat in een bepaald gebied de achtergrondbelasting hoger is dan het kantelpunt. Dat zou betekenen dat je in dat gebied 0,0 landbouw kunt toestaan en dat je tóch een slechte waterkwaliteit hebt en houdt.”

Doelen aanpassen
Voor de helft van de onderzochte gebieden bleek de achtergrondbelasting inderdaad hoger dan het berekende kantelpunt. Dat gold overigens alleen voor de fosfaatbelasting. De stikstofbelasting bleef overal binnen de marges. Enkele jaren geleden is voor de KRW-regio Rijn-West een stappenplan gemaakt waarin is aangegeven dat in het geval van een significante, niet-beïnvloedbare achtergrondbelasting, de KRW-doelen mogen worden bijgesteld. “Dat hebben we dus voor 25 gebieden gedaan”, zegt Van Ee. “Daar hebben we de ecologiedoelen bijgesteld.”

Watersysteemanalyse voor zes deelgebieden
Vervolgens is per deelgebied een analyse uitgevoerd naar het lichtklimaat, de productiviteit van het water en de habitatgeschiktheid voor waterplanten. In een derde stap is een opzet gemaakt voor een watersysteemanalyse voor zes deelgebieden. Hierbij is de systematiek van de Ecologische Sleutelfactoren (ESF) gebruikt. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de voorwaarden en toestand van de waterlichamen. In de vierde stap wordt de methodiek over alle 51 waterlichamen binnen HHNK uitgewerkt. Deze fase is reeds opgestart en loopt door in 2018. Van Ee: “We zijn nu bezig om per gebied de knelpunten te beschrijven en daar technische maatregelen aan te koppelen.”

Bestuurders moeten maatschappelijke keuzes maken
“Maar het werk is nog lang niet af”, vervolgt hij. “Nu staan we namelijk voor de uitdaging om de maatschappelijke context in te vullen. Tot nu toe was het vooral een technisch-inhoudelijk verhaal, maar straks moeten er maatschappelijke keuzes worden gemaakt. Wij hebben alles zo’n beetje in kaart gebracht en de Ecologische Sleutelfactoren aangegeven: rood, oranje of groen. Maar één ESF hebben we niet ingevuld: die van de maatschappelijke context. Die beslissing ligt immers bij de bestuurders en de belanghebbenden in het gebied. En zij maken hun keuzes op basis van andere argumenten, zoals maatschappelijke of economische kosten.”

Welke keuzes in die fase ook worden gemaakt, Van Ee weet dat door de systematische aanpak in ieder geval meteen duidelijk is wat de consequenties van die keuzes zijn. “Ze zien direct waarvoor ze kiezen, of waarvoor ze juist niet kiezen.”