De Grensmaas (foto: Rijkswaterstaat)

Extreme dijkverhoging langs de Maas discutabel

Op tal van plekken langs de Maas worden de dijken extreem verhoogd. De eerdere doorwrochte plannen om de rivier te verruimen met beperkte dijkverstevigingen zijn in een diepe la verdwenen. Tot afgrijzen van rivierdeskundigen Ron Agtersloot en Douwe Meijer. “Er is een cruciale kanteling in het beleid doorheen gerommeld.”

Dit artikel is alleen zichtbaar voor PREMIUM abonnees

Schrijf je nu gratis in om toegang te krijgen tot PREMIUM artikelen. Alleen je emailadres is voldoende. Je kunt dan alle PREMIUM artikelen gratis lezen tot 1-1-2023. Het abonnement eindigt dan automatisch. Je zit nergens aan vast. Meer informatie over WaterForum PREMIUM lees je hier.
Wij gebruiken uw emailadres alleen om u toegang te geven tot PREMIUM artikelen

Vlak na het interview op een zonnige lentedag begin maart vindt de ‘feestelijke’ starthandeling plaats van het dijkversterkingsproject in Beesel. Het dorp aan de Maas ten zuiden van Venlo is een van de eerste locaties waar het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) de bewoners tegen de impact van de klimaatverandering gaat beschermen. Het woord ‘feestelijk’ heeft Ron Agtersloot zelf tussen aanhalingstekens gezet. Als de dijk straks 1,60 meter is opgehoogd, heeft dat een enorme impact voor de omgeving.

Een procedure bij de Raad van State mocht niet baten. Ook zelf kan hij vanuit zijn dijkwoning niet langer uitkijken op de Maas. Via de videoverbinding is achter Agtersloot een traag voorbijtrekkend vrachtschip te zien. Dat idyllische plaatje is hij dan kwijt. Agtersloot is niet alleen persoonlijk betrokken. Als rivierdeskundige heeft hij grote bezwaren tegen de HWBP-aanpak. Voor provincie, Rijkswaterstaat en waterschap zet Agtersloot al jarenlang zijn brede expertise in voor de hoogwaterbescherming langs de Maas. Hetzelfde geldt voor zijn collega-vakspecialist Douwe Meijer, die Agtersloot direct bijstaat, als ook hij op het video-interview inlogt. “Ron, heb je al een hoger balkon besteld?”

Vinger op de zere plek
Sarcasme maakt al snel plaats voor kritiek. Gedreven brengen Agtersloot en Meijer hun argumenten in stelling tegen de huidige hoogwaterveiligheidsaanpak langs de Maas. Kern van hun betoog: de beveiliging tegen hoogwater is nog niet op orde, maar met de huidige inspanningen komt het ook niet goed. De watersnoodramp in Zuid-Limburg vorig jaar, die auto’s en huisraad meesleurde en gebouwen en wegen wegvrat, legde ook benedenstrooms langs de Maas de vinger op de zere plek. De dreigingen daar waren navenant. Op het hoogtepunt voerde de rivier bij Maastricht 3310 kuub water per seconde af (normaliter in de zomer 100 m3/s). Dat getal is definitief vastgesteld na een onderzoek in opdracht van Rijkswaterstaat, waar ook Agtersloot bij betrokken was.

Om met die ramp van juli vorig jaar te beginnen, hoe spannend was het eigenlijk?
Agtersloot: “In het Heuveldal en aan de zuidkant van Maastricht was het zonder meer gevaarlijk. Daar zijn weinig ingrepen gedaan en liggen de keringen nog op het oorspronkelijke lage beschermingsniveau. Verderop was het dreigend op verschillende plekken, vooral daar waar de rivier­verruiming nog niet geheel is voltooid. In Maasband is bijvoorbeeld de hoogwatergeul om het dorp nog niet klaar. Dat is pas over drie jaar het geval. Bij Koeweide, vlakbij het dorp Grevenbicht, moeten de uiterwaarden nog worden afgegraven. De bescherming is dus nog niet overal wat die moet zijn. Gelukkig hebben de meeste dorpen langs de Grensmaas er niet zoveel last van gehad, omdat daar juist al het nodige is gedaan. Het lastige is dat mensen de situatie vergelijken met die van 1993 en 1995. Dat is appels en peren vergelijken. Ze vergeten dat er ditmaal langs de Maas geen dorpen zijn overstroomd, wat toen wel gebeurde, juist omdat er veel hoogwatergeulen zijn aangelegd. Op de trajecten waar de keringen nog niet op orde zijn, ook hier in Beesel, is het spannend geweest. Hier zaten we dertig centimeter van de kruin van de dijk, en bij sommige plekken nog minder, zoals bij Arcen maar tien centimeter. Dat is echt riskant voor de dijkconstructie. Bij Well stond het water zelfs tegen de zandzakken aan. Dus we zijn er nog lang niet.”Maar als de plannen zo doorgaan heeft de Maas op termijn een voldoende beschermingsniveau. Prima toch?Meijer: “Dat is nu net het probleem. Bij de waterveiligheid van de Maas kun je twee tijdperken onderscheiden. Tot 2017 ging het nog om het wegwerken van achterstanden na de overstromingen in 1993 en 1995. Dat gebeurde in projecten als de Maaswerken en Ruimte voor de Rivier. Allengs werd geconstateerd dat we het met rivierverruiming niet gingen redden. Met voorrang zijn toen keringen aangebracht langs grotere plaatsen als Roermond, Venlo, Gennep en Mook-Middelaar. Zeventig procent van de bewoners aan de Maas was daarmee beschermd tegen overstromingen. Later kwamen daar de ‘geprioriteerde kades’ van het waterschap bij. Ook op die locaties werd het beschermingsniveau volgens de Maaswerken gerealiseerd. Niet dat het om druk bebouwde gebieden ging. Bij Lottum werden alleen een kasteel en een fruitbedrijf met een nieuwe dijk beschermd. Dat is een doodzonde als je het over rivierverruiming hebt. De dijk werd er ruim omheen gelegd, terwijl het kasteel altijd in de uiterwaarden heeft gestaan. Ook zijn soms voetbalvelden en landbouwgrond beschermd met een kering. Je kunt je afvragen of dat wel nodig was. Na 2017 verschoof de focus naar het voldoen aan de toen nieuwe risiconormering voor waterveiligheid en de verontrustende klimaatscenario’s. Dat bracht een kanteling van het beleid met zich mee.”

Wat ging er mis?
Agtersloot: “Er is gekozen voor de pragmatische weg: de dijken op hun huidige ligging verhogen. In Nederland is zo’n keuze snel gemaakt. Als overheid hoef je geen procedures te starten om ergens anders een nieuwe kering aan te leggen met mogelijke onteigeningsprocedures en weerstand van bewoners die zich tekort gedaan voelen. Rivierkundig gezien is dat echter niet de meest verstandige weg. Het resultaat is dat het HWBP nu als een dolle bezig is overal metershoge dijken aan te leggen. Er is maar één traject, dat tussen Ooijen en Wanssum, waar het nog goed is gedaan. Na de hoogwaters van 1993 en 1995 zijn daar dijken aangelegd die grote delen van het winterbed afsloten. Deze dijken zijn deels verwijderd, waardoor het winterbed weer beschikbaar is voor het afvoeren van hoogwaters op de Maas. Daar waar nodig zijn nieuwe dijken aangelegd om bewoners te beschermen.”

Waarom ging het mis?
Meijer: “Deze aanpak is er terloops ingeslopen. Terwijl we in het waterbeheer al heel lang het adagium van ‘ruimte waar het kan, dijken waar het moet’ hanteren. Dat was ook de filosofie achter het programma Ruimte voor de Rivier en het project Maaswerken, en het gold helemaal voor het deel van de Grensmaas met zijn grote rivierverruimingen. Volgens ons zijn dat ook succesvolle projecten. In het in 2012 opgestarte Deltaprogramma is in dezelfde gedachte weer aan nieuwe verruimingsprojecten gewerkt, om vanaf 2017 snel tot uitvoering te komen. We gingen er ook vanuit dat dit de toekomst was. De voorgestelde projecten, waaraan zo’n tien jaar gewerkt is, zijn echter helemaal uit beeld verdwenen. En dat zijn er heel veel, langs de hele Maas. De plannen zijn stilletjes van tafel gegaan zonder dat daar een duidelijke beleidsdiscussie aan ten grondslag lag. Tot 2050 is alles puur op dijkversterkingen gericht. Er is ook letterlijk de doelstelling geformuleerd dat er zoveel kilometer aan dijkversterking bij moet komen. Waar wij ons tegen teweerstellen is dat er een cruciale kanteling in beleid doorheen is gerommeld. Terwijl er voor de rivierverruimingen in het Deltaprogramma destijds een maatschappelijke kosten-batenanalyse is gemaakt en men tot doorwrochte plannen is gekomen. Maar daar heeft niemand het meer over. Er worden heel hoge dijken aangelegd, zonder rivierverruimingen, waar geen formele beleidsbeslissing onder ligt.”

Hanteert de overheid een tunnelvisie?
Agtersloot: “We zijn zeker in een fuik beland. Het probleem is dat toen in 2017 de nieuwe waterveiligheidsnormen tot stand kwamen, de consequenties voor de Maas helemaal niet duidelijk waren. De gedachte bij bestuurders was dat het verschil in kruinhoogte van de keringen tussen een eens per 250 jaar overstroming – de Maaswerkennorm – en eens per 100 jaar falen – de HWBP-norm – niet zo groot zou zijn. Dat is echter niet zo. Bij de één op 100 faalkans hoort een één op de 420 jaar overstromingskans. En omdat er rekening moet worden gehouden met 50 jaar klimaateffecten, wordt ontworpen op een waterstand die nu eens in de 3000 jaar optreedt. Zo werd zonder een beeld van de gevolgen een rigide faalkansnormering toegepast. Dijken worden extreem verhoogd, terwijl andere maatregelen ook effectief kunnen zijn. Dat hebben we vorig jaar zomer gezien op trajecten waar de Maas is verruimd. Als je de rivierverruimingsplannen dus doorzet, hoef je geen grote dijkverhogingen te doen.”Is het dan geen optie om stukken aan te wijzen met een lager veiligheidsniveau? De dijken hoeven daar dan minder hoog en huizen en ook nieuwbouw kun je op overstromingen inrichten.

Agtersloot: “Deze discussie is al gevoerd. Deltacommissaris Peter Glas heeft duidelijk gezegd dat dit niet gaat gebeuren. Hij vindt het niet acceptabel om voor Limburg onder het beschermingsniveau van de waterveiligheidsnormering te gaan zitten. Terwijl de normering dus discutabel is.”Meijer vult aan: “We zitten in een ongelooflijke spagaat. We hebben vorig jaar zomer bij het extreme hoogwater gezien dat er nog trajecten zijn die zwaar onder de maat zijn. Maar intussen zijn we op andere plekken die minder risicovol zijn, zoals in Beesel, de dijken fors aan het verhogen. Maar waarom? De bebouwing staat daar hoog genoeg. Als er geen mensenlevens op het spel staan, moeten we weliswaar nog steeds aan de normen voldoen. Maar het is erg voorbarig om de dijkhoogte al 50 jaar vooruit op basis van het meest extreme klimaatscenario te ontwerpen, terwijl er ook rivierverruimingsplannen liggen.”

Wat is dan de oplossing?
Meijer: “De dijkverbetering, zoals voor het jaar 2015 bedoeld in het programma Maaswerken, moet eerst voltooid worden. Daarmee wordt voor de normopgave en voor de klimaatopgave een goed werkbaar uitgangspunt gecreëerd.”Agtersloot: “We moeten de rivierverruimingsplannen uit de kast halen en afstoffen. We weten dat deze plannen soelaas bieden. Dat beleid is robuust. In dat geval moet ook de dijk hier bij Beesel zo’n tachtig centimeter verhoogd worden. Dat wist ik ook toen ik hier kwam wonen. Maar dat is heel wat anders dan meer dan anderhalve meter extra. Zaak is in plaats van ongeremde dijkverhogingen alles nog eens heel goed te gaan bekijken. We moeten een vinger krijgen achter wat nodig is. En daar ook bij mee­nemen wat er dan met de keringen moet gebeuren. We weten waar de knelpunten liggen. Maar moeten we meteen naar de risiconormen toe voor de komende 50 jaar met alle onzekerheden die daarbij horen, of combineren we een beperkte verhoging van de dijk met rivierverruiming? Het is beter mee te groeien bij wat je ziet gebeuren. Nu nemen we een voorschot op de toekomst waarvan we geen idee hebben hoe die eruitziet.”Meijer: “Het beleid van het Deltaprogramma was juist gebaseerd op het gegeven dat klimaatverandering optreedt over een periode van 50 jaar. Dat betekent dat je de projecten over die tijd kunt uitsmeren. Het is dus prima haalbaar op tijd een adequaat veiligheidsniveau te realiseren. Bovendien kost het dan wel een paar miljard euro, maar over 50 jaar gezien is dat helemaal niet zoveel geld. En aan hoge dijken hangt ook een hoog prijskaartje. Bovendien zijn er projecten bij die zich terugbetalen door de winning van delfstoffen en recreatieactiviteiten. Dat wordt nu allemaal om zeep geholpen. Over de delfstoffenwinning zijn ook afspraken gemaakt met de zandwinningsbranche. Die ziet nu echter dat ze geen nieuwe vergunningen meer krijgt. Er is dus eveneens sprake van een onbetrouwbare overheid. Tel hierbij op dat voor de woningbouwopgave die delfstoffen ook heel hard nodig zijn.”

Ron Agtersloot: “Er is gekozen voor de pragmatische weg, maar rivierkundig gezien is dat niet de meest verstandige weg.”

Even voorstellen…

Ron Agtersloot (1969) begon medio jaren negentig vanuit zijn opleiding tot hydraulisch modelleringsexpert aan de TU Delft bij het Waterloopkundig Laboratorium (WL), nu onderdeel van onderzoeksinstituut Deltares. In rivierkundige studies maakte hij onder meer simulaties van de gevolgen van ingrepen op rivieren als de Maas op het hoogwaterbeschermingsniveau in Oost- en Zuid-Nederland. Op dit moment is hij betrokken bij het opvolgen van de geleerde lessen na de watersnoodramp in Zuid-Limburg van vorig jaar, zoals het aanpassen van overstromingsmodellen. Agtersloots voorganger bij het WL was Douwe Meijer (1966). De waterbouwkundig ingenieur voerde verkenningsstudies en ruimtelijke optimalisaties uit voor rivierverruiming en dijkversteviging, destijds reeds als antwoord op de klimaatverandering. Agtersloot en Meijer werkten de afgelopen twee decennia als zelfstandig adviseurs voor het project Maaswerken van Rijkswaterstaat, het programma Ruimte voor de Rivier (Rijn en IJssel) en het latere Deltaprogramma Rivieren. Ook deden ze advieswerk voor het consortium achter de uitvoering van het Grensmaas-beschermingsproject.

 

Douwe Meijer: “We zitten in een ongelooflijke spagaat. Sommige trajecten zijn zwaar onder de maat, maar op minder risicovolle plekken worden de dijken fors verhoogd.”