Geborgde zetels, een verroest monument!

“Nu wordt nog heel krampachtig vast gehouden aan afzonderlijke representatie voor natuurterreinen, bedrijven en landbouw. Dit zie ik nog als relict van de oude opzet van representatie waarbij het adagium belang-betaling-zeggenschap centraal werd gesteld. Dit was ook logisch gezien de fiscale regeling van toen. Nu is gekozen voor veralgemenisering van het fiscale stelsel, de watersysteemomslag, waar met name het belang tot uitdrukking komt in de toepassing van de economische waarde als grondslag voor de heffing: de grondslag voor een bijzondere (specifieke) representatie is hierdoor ontvallen.

Tegen deze achtergrond had ik een meer kritische analytische beschouwing over het instituut geborgde zetels verwacht van de Commissie voor Advies inzake Waterstaatswetgeving (CAW). Deze adviescommissie is indertijd door de regering ingesteld en inmiddels opgeheven. De opheffing van de commissie is een teken aan de wand, de waterstaatswetgeving neemt geen aparte plaats meer in binnen het de wetgeving van de overheid. Hiermee komt een eind aan een tijdperk waarbij waterstaatsrecht een grondrecht was voor alle andere wetgeving. 

Mijn conclusie is nu de taken van het waterschap – hoewel de waterstaatszorg centraal staat – meer als integrale taken zijn gedefinieerd er geen bijzondere status voor specifieke geborgde belangen is gerechtvaardigd. Bij de herziening van de Waterschapswet in 1992 is de relatie met het onroerend goed – het object denken – verlaten. Daarmee is ook de logica van het adagium belang- betaling-zeggenschap doorbroken en uitgehold.  
Bovendien is mij gebleken dat bij de coalitievorming van de in het bestuur verkozen partijen de geborgde zetels zich als aparte partij manifesteren. Drie categoriën zijn vertegenwoordigd : ongebouwd (agrariërs), bedrijfsgebouwd en natuurterreinbeheerders. Dit lijkt mij een oneigenlijk gebruik van de toegekende aparte status van de geborgde zetels, die direct als grootste partij kan worden aangemerkt met zeven tot negen zetels met een gegarandeerde geborgde zetel in het dagelijks bestuur. Dit levert naar mijn smaak een gewrongen onzuivere bestuurlijke verhouding op die geen recht doet aan de doelstelling die de wetgever heeft beoogd.
Het hanteren van gereserveerde zetels ervaar ik als zeer ongelukkig. Dit houdt in dat sprake is van een gewogen belangenoordeel op basis waarvan het aantal zetels is gereserveerd voor diverse groeperingen. Hiermee zal het onderscheid met de thans gehanteerde geborgde zetels een nog grotere vervaging teweeg brengen. Ook de grootte van de besturen speelt een rol. In Zuid-Holland is dit nauwelijks beoordeeld, alle waterschapsbesturen hebben het zelfde aantal zetels in totaal. Hoe dit landelijk is uitgewerkt heb ik niet direct paraat, maar in ieder geval is het aantal geborgde zetels wel gemaximaliseerd (7 tot 9). Afhankelijk van het totaal aantal zetels zou het belang van de eigenaars van onroerende goederen in een andere verhouding moeten komen te staan ten opzichte van de ingezetenen.
Kortom, volledige invoering van het lijstenstelsel, doet recht aan de verkiezing van belangroepen in het waterschapsbestuur.”