Column Ties Rijcken : Ruimte voor de Natuur

Als onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur zet het project Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG) buitendijkse landbouwgrond om in nieuwe natuur. Mooi werk. Het verruilen van glad grasland voor welige wildgroei leidt wel tot meer ruwheid van het rivierbed en daarmee al gauw tot hogere maatgevende waterstanden (MHW’s). Daar staat weer tegenover dat waterstandsverlagende uiterwaardvergravingen, zoals nevengeulen en reliëfvolgend ontkleien, extra interessante natuur opleveren – vandaar het beleid om de NURG projecten waterstandsneutraal uit te voeren. Gezien de hoge kosten van vergraven en het beperkte budget van NURG vraag ik me af of dit overal gelukt is, maar laten we er vanuit gaan dat het kap-, maai- en snoeiproject Stroomlijn de ruwheid onder controle houdt.

Bij 7 van de 55 NURG projecten en natuurlijk bij Ruimte voor de Rivier is het netto effect zelfs veiligheidsverhogend. Een knappe prestatie voor de NURG-projecten, omdat het ruwheidsprobleem in het veel ruimer bedeelde Ruimte voor de Rivier aanzienlijk bleek: het RvR Quality Team schreef in hun jaarverslag van 2008 dat ‘klemmende hydraulische taakstellingen (…) een zeer gladde afwerking van het maaiveld’ vergden en dat er daarmee uiteindelijk ‘weinig ruimte voor herstel en ontwikkeling van natuur’ in Ruimte voor de Rivier bleek te bestaan.

Verassend, want natuurontwikkeling is inmiddels innig verweven met veiligheidsverhoging. NURG wordt als veiligheidsproject gezien, bijvoorbeeld in de MIRT documenten en in het eindrapport van het Deltaprogramma. Maar klopt dat wel? Als we ergens een natuurgebied aanleggen en er daardoor meer herten komen, die zorgen voor meer verkeersongevallen, waarna we een wildbrug bouwen, noemen we dan ook de natuurbrug, laat staan het natuurgebied, een verkeersveiligheidsproject?  Het gaat me hier echter niet om het labelen van overheidsgeld, maar om een verruiming van het denken over riviermaatregelen.

Als we het wat ik noem MHW-fetisjisme in het rivierengebied loslaten, mag er spannende ruige natuur ontstaan op locaties waar de dijken een beetje waterstandsverhoging best aan kunnen. We kunnen dijken die tóch versterkt moeten worden, extra aanpakken, zodat we meer natuur kunnen ontwikkelen en we desgewenst besparen op natuuronderhoud. Dijkversterking ten bate van riviernatuur is momenteel echter onbespreekbaar. Waarom eigenlijk?

Dijkversterking kost geld, dus dat maakt de natuurontwikkeling duurder. Maar dat geldt ook voor uiterwaardvergraving. Dat draagt in zichzelf bij aan interessante natte natuur en dijkversterking niet. Dat is zo, maar voor dezelfde afvoercapaciteitsvergroting vraagt uiterwaardvergraving (op de sigarendoos) meer dan tien keer zo veel grondverzet als dijkversterking; de met dijkversterking uitgespaarde moeite is ook te besteden aan andere doelen, zoals nog meer natuur. Vanuit deze gedachte stelde het Centraal Planbureau in 2005 een alternatief voor het Ruimte voor de Rivier voorkeurspakket samen, met gelijke veiligheid maar dankzij extra dijkversterking voor minder totale kosten meer nieuwe natuur. Misschien bent u bij voorbaat tegen maatregelen die MHW-verhoging accepteren, omdat deze niet duurzaam zijn, niet veerkrachtig en niet meebewegen met de natuur. Tsja – daar valt weinig tegen in te brengen.

In mijn optiek zijn waterstandsverlagende rivierverruiming, faalkansverkleinende dijkversterking, ruwheidsverhogende beplanting, ruwheidsverlagend onderhoud én de afvoerverdeling allemaal componenten die uitwisselbaar zijn voor het bereiken van de fundamentele doelen: aanvaardbaar risico en waardevolle natuur. Componenten integreren is natuurlijk prachtig, maar verplichte integratie verkleint de oplossingsruimte.

Ties Rijcken, onderzoeker TU Delft

Ties Rijcken is onderzoeker aan de Technische Universiteit in Delft. Hij schrijft met enige regelmaat columns voor WaterForum over waterveiligheid, het Nederlandse hoofdwatersysteem en het Deltaprogramma.