BRZO-bedrijven moeten noodplannen maken met overstromingsscenario’s

De Europese SEVESO III-richtlijn verplicht bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen om in de bedrijfsvoering aandacht te besteden aan veiligheidsaspecten. In Nederland is de SEVESO III-richtlijn geïmplementeerd in de BRZO 2015-regelgeving. Momenteel zijn er ongeveer 410 BRZO-bedrijven in Nederland. De richtlijn verplicht bedrijven gedetailleerde scenario’s op te stellen. Dat geldt voor nu ook voor  ‘natuurlijke oorzaken’, bijvoorbeeld aardbevingen of overstromingen. 

Bedrijven
In de bijlage II van het BRZO is precies aangegeven wat van de bedrijven wordt verwacht. Kortweg komt het er op neer, dat bedrijven moeten bestuderen of overstromingen mogelijk zijn, wat de gevolgen zijn en welke maatregelen mogelijk zijn om deze overstromingen te voorkomen. Daarbij wordt van de bedrijven verwacht ook te kijken naar ongevallen en incidenten in het verleden en de lering die daaruit is getrokken. In PGS 6 (publicatie te voorzien in het voorjaar van 2016) staat op welke wijze invulling gegeven kan worden aan overstromingscenario’s. 
Het BRZO 2015 vereist aanpassingen aan het veiligheidsrapport. Daarvoor hebben de bedrijven tot juni 2016 de tijd, meldt de DCMR Milieudienst Rijnmond. Dan is namelijk de overgangstermijn van de SEVESO III-richtlijn verlopen.

Buitendijks
De bedrijven in het Rotterdamse haven-industriegebied liggen overigens allemaal buitendijks. De gebieden zijn om die reden hoog gelegen. Zo liggen Europoort en Maasvlakte op + 5 meter NAP vóór de Hartel-Maasland, die de buitendijkse gebieden van Botlek en Vondelingenplaat bescherming bieden (gelegen op + 4 meter NAP). 
Een uitzondering zijn  de bedrijven in de laag gelegen buitendijkse delen van Maassluis-Vlaardingen (Wilhelminahaven) en Schiedam-Rotterdam (Maasboulevard) waar door hoge waterstanden kaden jaarlijks enkele keren kunnen onderlopen.

Beleid
De rijksoverheid is druk bezig met de ontwikkeling van beleid om de hoogwaterplannen van de bedrijven vanaf juni 2016 te kunnen toetsen. Daarbij kijken de beleidsmakers onder meer naar de manier waarop een hoogwaterscenario voor de bedrijfsnoodplannen van een ‘klassiek’ incidentscenario verschilt. Ook onderzoeken ze of de gekozen bescherming past bij de huidige en toekomstig te verwachten hoogwaterkansen.

Botlek
In het Rijnmondgebied gebeurt dat in de pilot Waterveiligheid Botlek binnen het Delta-programma van de rijksoverheid. Uit een enquête die vorig jaar zomer door de helft van de BRZO-bedrijven is ingevuld, blijkt onder meer dat veel bedrijven bekend zijn met het Deltaprogramma, maar niet weten hoe groot de kans is op wateroverlast in het Botlekgebied. Ook is er onduidelijkheid over de aansprakelijkheidskwesties bij schade door wateroverlast. Verder is het ook niet voor alle bedrijven duidelijk waar ze informatie kunnen vinden over de risico’s van wateroverlast.  

Geen plannen
Tegelijkertijd gaven alle bedrijven aan het zeer belangrijk te vinden om te worden geïnformeerd over deze risico’s. Ook waren vrijwel alle bedrijven op de hoogte van het feit dat het beschouwen van mogelijke overstromingen een onderdeel vormen van de BRZO richtlijn. Meer dan de helft van de bedrijven gaf echter aan nog niet te voldoen aan de richtlijn voorbereid te zijn op wateroverlast.
Volgens de DCMR Milieudienst Rijnmond is er naar aanleiding van orkaan Katrina in New Orleans wel veel analysewerk gedaan naar de schade die de (olie) industrie daar geleden heeft. Dat heeft eerder geleid tot nieuw EU en provinciaal beleid voor de inrichting van buitendijkse gebieden. Naast studie en kennis vergaren is het nog niet tot concrete regels gekomen voor de industrie. De eisen aan de veiligheidsrapportageplichtige BRZO-bedrijven zijn de eerste.  Vanuit de BRZO-toezichthouders is het initiatief genomen om op het gebied van de overstromingsscenario’s samen te werken met het Deltaprogramma.