“Breng de waterwereld en investeerders dichter bij elkaar”

Tekst: Annemarie Geleijnse

Inmiddels bent u weer een klein weekje terug. Hoe kijkt u terug op het Wereld Water Forum?
 “Heel positief. Nederland had een sterke delegatie, met onder andere minster Schulz – Van Haegen. En vanuit de Unie van Waterschappen was ook Peter Glas betrokken. We hebben niet alleen rondgelopen, maar heel actief een bijdrage geleverd door het leiden van paneldiscussies en het geven van lezingen. Met een kleine delegatie namens de Unie van Waterschappen hebben we op cruciale momenten voor Nederlandse inbreng kunnen zorgen.” 

Best bijzonder voor zo’n klein land? Of is het niet meer dan vanzelfsprekend gezien onze reputatie als waterkanjers?
“Dat laatste is zeker waar. ‘Bring in the Dutch’, werd er ook wel gezegd. We hebben als Nederland echt een goed visitekaartje afgegeven. Dat is ook voor de Nederlandse waterbedrijven heel gunstig.”

Wat is de belangrijkste boodschap die u meenam naar Korea?
“Het klimaat verandert en het veilig leven in delta’s en de beschikbaarheid van voldoende zoet water voor iedereen wordt minder vanzelfsprekend. Ik heb een lezing gegeven over hoe wij met een economische aanpak nieuwe veiligheidsnormen hebben gemaakt. Op een hele concrete manier heb ik laten zien hoe wij in Nederland het veiligheidsniveau achter de dijken laten afhangen van het aantal inwoners en de economische waarde van een gebied.”

Was die risicogestuurde manier van prioritering in waterveiligheid nieuw voor veel deelnemers?
“Ja, dat was echt een eye-opener. In heel veel landen speelt het dilemma van het veilig willen maken van je delta’s terwijl je daarvoor beperkt beschikbare middelen hebt. Waar zet je dan je euro’s op in? Voor veel mensen was het een eye-opener dat je daar een economische kosteneffectiviteitanalyse op los kunt laten. Ik heb met drie voorbeelden, een dorp in Zeeland, Breda en Rotterdam, laten zien hoe zo’n analyse uitpakt. Voor het dorp Dreischor is het beschermingsniveau 1:1250, dat betekent dat we een overstroming per 1250 jaar accepteren. Voor Breda is dat 1:4000 en voor Rotterdam 1:10000.
Er is in Nederland politiek commitment over die gewenste veiligheidsnormen. Die aanpak is vastgelegd in het Deltaprogramma.”

Hoe zorg je los van het politieke commitment voor draagvlak onder de bevolking? Ik kan me voorstellen dat een Rotterdammer blij is met de hoge prioriteit die aan zijn veiligheid wordt gegeven, maar dat een inwoner van Dreischor zich wellicht achtergesteld voelt?
“Ik heb ook in Korea verteld dat we veel voorlichting hebben gegeven in de gebieden die het betreft. Het gekozen veiligheidsniveau is heel goed uit te leggen. Zeker doordat de onderliggende voorwaarde is dat iedereen eenzelfde basisveiligheid heeft. In Nederland is de kans dat je overlijdt als gevolg van een overstroming 1 op 100.000. Daarmee is de kans dat je in het verkeer overlijdt hoger. Dat wordt ervaren als een acceptabel niveau. En dan valt het goed uit te leggen dat je in de afweging voor het investeren in veiligheid daar bovenop kijkt naar hoe dichtbevolkt een gebied is en welke economische belangen er liggen.”

Heeft u op het congres ook weerstand gevoeld tegen deze benadering. Het kan wellicht heel zakelijk en kil overkomen om niet te gaan voor maximale veiligheid voor iedereen, maar het beschermingsniveau in kosten en baten uit te drukken. . . 
“Een gevoel van weerstand is mij niet gebleken. Maar ik ben voorzichtig in het trekken van conclusies daaruit. Cultuur speelt mogelijk een rol. Je merkt dat veel Afrikanen en Aziaten niet, zoals wij hier gewend zijn, direct hun mening geven als ze het ergens niet mee eens zijn. Dat zag je ook in een andere sessie waar ik als deelnemer zat. Daar werden we gevraagd in kleine groepjes te gaan brainstormen over een item. Alle Afrikanen en Aziaten vertrokken. Dat is een procedurele les die ik in Zuid-Korea heb geleerd: als je tot kennisuitwisseling wilt komen, moet je dat anders organiseren.”

Hoe zou je andere culturen wel kunnen uitnodigen hun kennis te delen?
“Ik heb zelf heel veel van de circa veertig landenpaviljoenen bezocht. Dat werkt heel goed. Je merkt dat mensen daar trots zijn op wat ze doen en heel graag vertellen over hun projecten. Je leert daar concreet van elkaar over innovaties en vraagstukken.”

Naast uw lezing over klimaatadaptie nam u deel aan een high level panel over het thema Economics and Finance for Innovative Investments. U gaf daar een presentatie over innovatieve financiering waarin u bent ingegaan op de rol van de Nederlandse Waterschapsbank (NWB). Is dat uniek voor Nederland?
 “Ja, zo’n aparte waterschapsbank zie je bijna nergens op de wereld. De Nederlandse Waterschapsbank is ooit opgericht in 1953 na de Waternoodramp om te zorgen dat er altijd voldoende geld is om te investeren in waterveiligheid. Later is de bank ook andere projecten gaan financieren, zoals bijvoorbeeld woningbouwcorporaties en gemeenten.”

Het grootste deel van de investeringen gaat wel naar de waterschappen. Volgens het laatste jaarverslag verstrekt de NWB 98 procent van de lange kredietaanvragen van waterschappen? Wat vindt u van de dominante positie die de NWB daarmee inneemt?
 
“Ik vind dat de NWB die rol heel goed oppakt. De waterschapsbank trekt mondiaal geld aan en investeert dat in Nederland. Dominantie is nooit goed, maar de Nederlandse watersector staat er ook voor open om op andere plekken geld te vinden. Je ziet bijvoorbeeld dat ook de Europese Investeringsbank de Nederlandse waterschappen als een solide en betrouwbare partij ziet waar mogelijke grote projecten te financieren zijn. Er is dus wel degelijk sprake van enige concurrentie op de geldmarkt.” 

Wat was uw belangrijkste boodschap op het gebied van de financiering van waterprojecten? 
“Je ziet dat veel waterprojecten een gunstige kosten-batenverdeling hebben. Als het gaat om preventie en voorkomen van overstromen is iedere euro die je erin stopt, de investering meer dan waard. Je zou verwachten dat investeerders in de rij staan om waterprojecten te doen. Dat dat toch niet zo is, komt denk ik deels doordat de waterwereld een eigen wereld is. Dat viel me op toen ik net dijkgraaf werd. Je zag dat ook aan het type deelnemers op het Wereld Water Forum. Er waren heel veel ministers uit allerlei landen, maar dhet was jammer dat er heel weinig ministers van Financiën, Economische Zaken of Landbouw aanwezig waren!”

Hoe zou dat doorbroken kunnen worden?
Mijn betoog was dat we de waterwereld en mogelijke investeerders, denk ook aan de pensioenfondsen, wat dichter naar elkaar toe moeten brengen. Dat betekent dat wij als watersector ook beter data moeten verzamelen en de effectiviteit van onze investeringen moeten laten zien. Tenslotte zijn het toch vaak de regeringen die moeten bijdragen als het mis gaat. Zowel publieke als private partijen verliezen als er een overstroming komt. Als je een fractie van dat geld in preventie stopt, is iedereen beter af. Dat leidde wel tot veel herkenning in de zaal.”

Tot slot: Wat vond u van de Nederlandse bijdrage op het gebied van Water Governance?
“Peter Glas heeft daarin goed werk verricht. Hij was voorzitter van de commissie die vanuit de OECD een rapport met governance principes heeft opgesteld en aangeboden. Er was in Korea veel belangstelling voor de bestuurskundige aanpak van Nederland. Als je je governance niet op orde hebt, wordt het lastiger om investeerders te vinden. Daarin sloten onze verhalen mooi op elkaar aan.”