Bodemdaling: PBL luidt noodklok en pleit voor maatregelen

Volgens de KNMI ’14 scenario’s stijgt de zee de komende jaren met 0,35 tot 1 centimeter per jaar en zakt de bodem jaarlijks tussen de 0,5 en 2 centimeter. Daarmee daalt de bodem sneller dan de zeespiegel stijgt. Zonder ingrijpen raamt het PBL-rapport de extra kosten van bodemdaling tot 2050 op 16 miljard euro voor funderingsherstel, 3,7 miljard euro voor infrastructuur in stedelijk gebied, 1 miljard euro voor infrastructuur in landelijk gebied en 200 miljoen euro voor waterbeheer in landelijk gebied. Maar bodemdaling kan worden afgeremd of zelfs gestopt. In de PBL-studie zijn ook de kosten en baten van alternatieve maatregelen en beleid in kaart gebracht.

Alternatieve landbouw
Het Nederlandse grondgebied bestaat voor ongeveer 9 procent uit laagveen. Een groot deel van de bodem van dit laagveen daalt. Dat komt door de verlaging van de grondwaterstand voor de landbouw en met name de melkveehouderij. Geschat wordt dat de gemiddelde veenbodemdaling ongeveer 8 millimeter per jaar bedraagt, maar dat kan oplopen tot enkele centimeters in diep ontwaterde veengebieden en veengronden die bijvoorbeeld voor de maisteelt worden gebruikt. Mogelijke alternatieven voor de landbouw zijn, volgens het PBL, onderwaterdrainage, vernatting of een transitie naar natte landbouw. 

Oplossingen in de stad
In bebouwde veengebieden daalt de bodem door de belasting van bebouwing en infrastructuur. Voor bestaande bebouwing en nieuwbouw kunnen technische innovaties ervoor zorgen dat een weg of riolering niet meer verzakt of breekt. En via een integrale aanpak zou een rij huizen met verschillende funderingen tegelijk bodemdalingsbestendig kunnen worden gemaakt. Het inrichten van stedelijke gebieden is een taak van gemeenten, maar zij kunnen dit alleen in samenwerking met alle betrokkenen, waaronder huiseigenaren. Technische innovaties, maar ook innovaties rond financiering zijn cruciaal om zowel in de bestaande omgeving als bij nieuwbouw stappen te kunnen maken naar minder schade en minder kosten.

Integrale aanpak
In de aanpak van bodemdaling moeten provincies, waterschappen en gemeenten samenwerken met bewoners, eigenaren en de sectoren. Volgens het PBL mag het rijk echter niet ontbreken en de landelijke overheid zou ook een initiërende rol kunnen spelen bij het ontwikkelen van financieringsinstrumenten. Vanuit de Tweede Kamer is er onlangs nog bij minister Schultz van Haegen, van Infrastructuur en Milieu, aangedrongen op extra onderzoek. Provincies, waterschappen en kennisinstituten zijn al langer samen in overleg over mogelijke oplossingen.

Nieuw Kennisprogramma
Tijdens de bijeenkomst werd het Kennisprogramma Klimaat, water en bodemdaling gelanceerd door de Provincie Zuid-Holland, STOWA, het Platform Slappe Bodem en Rijkswaterstaat. De betrokken partijen gaan het eerste jaar van dit meerjarige kennisprogramma financieren. Het doel is om informatie uit te wisselen over een groot aantal praktijkprojecten rondom bodemdaling in landelijk gebied, stedelijk gebied en kleine woonkernen.