De Krammersluizen verbinden het brakke water uit de Oosterschelde met het zoete Volkerak-Zoommeer. (foto: Wikimedia Commons).

Begin november besloten de ministers van Nieuwenhuizen en Schouten om de verzilting van het Volkerak-Zoommeer voor onbepaalde tijd uit te stellen. Een week later, op 11 november, nam de Tweede Kamer de motie Dijkstra (VVD) aan om de zoetwatervoorziening door het Volkerak-Zoommeer voor de toekomst veilig te stellen. “Dat is een ommekeer in het waterbeleid “, stelt Wil Borm van Adviesgroep Borm & Huijgens.

Politici geven volgens Borm eindelijk gehoor aan de toenemende weerstand tegen verzilting en sluiten aan bij de doelen voor klimaatbestendigheid, zoals het langer vasthouden van zoet water en het tegengaan van verzilting. Volgens hem draagt dit eveneens bij aan een beter milieu en aan de noodzakelijke waterveiligheid.

IJsselmeer
“Het IJsselmeer lijkt een groot landelijk zoetwaterreservoir, maar in droge zomers levert het niks op”, zegt Borm. Hij verwijst naar het rapport ‘Werken met water’ van prof. ir. J.H. Kop (emeritus hoogleraar TU Delft), dat aangeeft dat het IJsselmeer, vanwege de beperkt toegestane peilverhoging, in warme zomers haar eigen voorraad verdampt. Midden Nederland is voor het zoete water dan vrijwel geheel afhankelijk van aanvoer via de IJssel.

Nieuwe zoetwatervoorraden
Er zullen volgens hem in het zuidwesten nieuwe zoetwatervoorraden bij moeten komen om aan de watervraag te voldoen. Zoete bekkens zijn bovendien nodig om de verzilting van de eilanden en het achterliggende land een halt toe te roepen. Het Volkerak-Zoommeer heeft bij hoge rivierafvoeren niet genoeg capaciteit om als noodberging te functioneren. Hiervoor dienen de voormalige zeegaten extra te worden ingezet. Om milieurampen te voorkomen behoort berging van zoet water in zoete meren plaats te vinden. Zo wordt mogelijk het oorspronkelijke Deltaplan toch nog voltooid, stelt Borm.

Grevelingenmeer
Het Grevelingenmeer is volgens Borm uitermate geschikt als toekomstige zoetwatervoorraad en als bekkenberging. Hij benadrukt dat met de verzoeting van de deltabekkens tijdig aangevangen dient te worden in het traject naar klimaatbestendigheid.
Bij een landelijke integrale aanpak voor de langere termijn, zoals de Haakse Zeedijk, gaan de samenstellers eveneens uit van geheel zoete rivieren en een zoete Zuidwestelijke Delta met de bekkens voor de kust als overgangsgebied van zoet naar zout. Een nieuwe doorlaat in de Brouwersdam voor beperkt zout getij, wat nu nog het plan is, zou in zijn ogen een belemmering vormen voor de optie van een zoete en klimaatbestendige inrichting.

Meegaand natuurbeleid
De adviesgroep Borm & Huijgens beschouwt de natuur als evoluerend en zich aanpassend aan de omstandigheden, waaronder menselijke invloeden. Het cultuurlandschap vormt een samenhangend geheel, met het water als verbindende factor. Scheiding tussen natuur en cultuur is er niet.
Bij de Deltawerken heeft de natuur volgens hem de boot gemist. Door pogingen tot behoud en herstel, voldoen veel wateren achteraf niet aan de verwachtingen van de milieubeweging. Het streven naar ‘wensnatuur’ heeft weinig goed gedaan. Ook plannen met zout en getij lopen tegen grenzen aan.

Natuurinstanties worden er zich van bewust dat natuurbescherming in de delta zich dient te richten op de veranderingen die onafwendbaar zullen komen. Dat vraagt om een meegaand natuurbeleid, meent Borm.

Stip op de horizon
” De Nationale Omgevingsvisie en het Deltaprogramma zullen over enkele jaren samenvloeien in een klimaatbestendig toekomstbeeld. Hoe die er precies uit komt te zien, weet niemand. Deze stip op de horizon zal invloed hebben op alle facetten in de samenleving. Statussen en bestemmingen zullen wijken voor het algemeen belang. Daarbij mag de natuur de boot niet missen. Voor het natuur- en waterbeleid betekent dit meebewegen zoals de natuur al eeuwenlang heeft gedaan.”